Opinie

De bewariërs komen te pas

Joyce Roodnat

Joyce Roodnat

En toen ontdooide het verleden en gaf het heden een por. De P.C. Hooft-prijs werd toegekend aan Marga Minco. Dat was geweldig, want eindelijk. Maar de bestuurs-voorzitter, Gillis Dorleijn, bleek een kleinzoon te zijn van het echtpaar dat zij heeft beschreven in haar autobiografische verhaal Het adres (1957), over een Joodse vrouw die wordt weggekeken door de ‘bewariërs’ van spullen uit haar ouderlijk huis. Dorleijn werd ‘Dorling’, Edisonstraat werd ‘Marconistraat’, in de zes pagina’s waarmee Minco haar persoonlijke ervaring met de bewariërs liet fermenteren tot een literair meesterwerk over de kleine moord die na de oorlog werd gestapeld op de grote moord in de vernietigingskampen.

Ik vroeg me meteen af of kleinzoon Dorleijn werkelijk niks doorhad toen hij Het adres las. Hij is tenslotte hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde. Marga Minco’s eerste reactie was verstandiger dan de mijne. Ze zei: „Hij kan er niks aan doen”, wat haar dochter, de journaliste Jessica Voeten, citeert in haar fascinerende reconstructie van de werkelijkheid achter Het adres, in het boekje bij de prijs. Voeten volgt de schreden van haar moeder door Amersfoort naar het bewuste adres. Ze leest de officiële reactie van grootvader Dorleijn die zijn roofgoed brutaal verdedigt en „naar Polen” schrijft alsof de familie Minco met vakantie ging en niet naar Sobibór. Ze haalt het pleit aan dat haar vader, de dichter Bert Voeten, schreef en realiseert zich dat haar moeder in die tijd nog „handelingsonbekwaam” was, want vrouw. En ze besluit: „De echte naam uit Het adres is nu bijgeschreven, waarmee zowel de literatuur als de geschiedenis zijn loop heeft gekregen.”

En waarmee, als ik even mag, het geweldige oorlogswoord bewariër terug is. Gillis Dorleijn zei tegen Voeten dat hij het niet kende. Ik praat hem even bij. Bewariër combineert ariër, de nazi-term voor ‘raszuivere’ mensen, met ‘bewaren’ in de zin van inpikken. Het staat in het Woordenboek der Nederlandsche Taal en ook in Van Dale.

Dorleijn droeg een, korte, reactie bij. Geen woord van rouw over wat Minco en haar gezin hun leven lang heeft achtervolgd, hij heeft het over zichzelf. Hij en zijn familie zijn „beschaamd” en pijnlijk getroffen. En hij móet even noteren dat de „onverkwikkelijke geschiedenis” dateert van „vóór ieder van ons geboren was”. Daarmee staat het wijze ‘Hij kan er niks aan doen’ van de schrijfster nu tegenover het onbenullige ‘Ik was nog niet geboren’ van de kleinzoon.

„Ben je teruggekomen? Ik dacht dat er niemand teruggekomen was” zegt mevrouw Dorling in Het adres. Marga Minco kwam terug, opnieuw. Wij hebben hier niets mee maken, impliceert de ‘echte’ kleinzoon van het personage. Opnieuw.

Godbewaarme.

Marga Minco bij de uitreiking van de P.C. Hooftprijs, 18 januari 2019. Foto Literatuurmuseum Mylène Siegers