Opinie

De Nederlandse vertaalcultuur is ernstig in gevaar

Michel Krielaars

Terwijl ik over de Wolga voer, werd op het Nederlands instituut in Sint-Petersburg de Russische vertaling van W.F. Hermans’ Herinneringen van een engelbewaarder gepresenteerd. Op zich is dat al een bijzondere gebeurtenis, want op Multatuli, Louis Couperus, Pieter Waterdrinker en K. Schippers na zijn er niet zoveel Nederlandse schrijvers in het Russisch vertaald, terwijl die taal toch door zo’n 140 miljoen mensen wordt gesproken. Stel dat de helft daarvan een exemplaar van Vospominanija Angela-granitelja koopt, dan levert dat de erven Hermans een behoorlijk zakcentje op, ook al kost die vertaling nog geen negen euro – boeken zijn in Rusland veel goedkoper dan bij ons.

De vertaling is van de hand van hoogleraar Nederlandse taalkunde Irina Michailova. Nu heb ik die niet gelezen, maar mijn ervaring heeft me geleerd dat Russische neerlandici onze taal vaak beter beheersen dan hun Nederlandse vakgenoten. De directeur van het Nederlands Instituut in Sint-Petersburg, Olga Ovechkina, spreekt bijvoorbeeld in prachtige volzinnen en is in Sint-Petersburg zelfs op W.F. Hermans gepromoveerd. Ook is Nederlands aan de letterenfaculteiten van Moskou en Sint-Petersburg een populaire studie. Je kunt er werk mee vinden in het toerisme of het bedrijfsleven – avontuurlijke Nederlandse zakenlui kom je in vrijwel elke Russische provincieplaats tegen.

Nu zou je Rusland als spiegel kunnen gebruiken voor de situatie in Nederland, waar talenstudies, op Engels na, steeds minder populair zijn. Met dramatische gevolgen van dien voor de vertaalde literatuur.

Want hoe minder studenten er talen studeren, hoe minder kennis er op den duur van die talen is. De eens zo bloeiende vertaalcultuur van Nederland – bij mijn weten kent geen land relatief zoveel voortreffelijke vertalers als het onze – is dan ook ernstig in gevaar.

Dat blijkt uit het eind mei gepubliceerde rapport Vertalen voor de toekomst. Een nieuw vertaalpleidooi van het Expertisecentrum Literair Vertalen, een samenwerkingsverband van onder meer de Taalunie en de Nederlandse en Vlaamse letterenfondsen. Hierin wordt ervoor gewaarschuwd dat als gevolg van de internationalisering en globalisering er over een paar jaar, behalve voor het Engels, niet meer genoeg literair vertalers zijn. Het gevolg daarvan is dat we dan van goede Hongaarse, Portugese, Roemeense, Franse en Duitse literatuur verstoken zullen blijven, als we die boeken niet in hun originele taal kunnen lezen. Hoogstens zal er zo nu en dan nog een, vaak literair magere, bestseller in vertaling verschijnen.

Het Expertisecentrum Literair Vertalen roept de overheid daarom op om maatregelen te nemen om de (ver)taalkunde in Nederland te bevorderen. Onder meer door het beroep van vertaler financieel aantrekkelijker te maken. In een tijd waarin een interessante baan vaak om het bijbehorende hoge salaris draait, mag een vertaler al blij zijn als hij of zij het minumumloon bijeen weet te vertalen.

Ook moet er meer geld naar de afdelingen Nederlands aan universiteiten buiten het Nederlandse taalgebied gaan. Want ook die bieden niet altijd vertaalonderwijs op niveau. Rusland is een uitzondering. Daar is het alleen de vraag of er genoeg lezers te vinden zijn voor een roman als Hermans’ Vospominanija Angela-granitelja, waarin een neurotische, door schuldgevoel gekwelde officier van justitie vlak voor de Duitse bezetting per ongeluk een Joods kind doodrijdt.