Opinie

Afstuderen is meer dan de economie bedienen, minister

Hoger onderwijs De suggestie van de commissie-Rosenthal om de minister te laten vaststellen hoeveel studenten welke studies doen, zou de centralisatie een onthutsende slinger geven, schrijft

Studenten aan de Vrije Universiteit van Amsterdam (VU) doen tentamen, mei 2019
Studenten aan de Vrije Universiteit van Amsterdam (VU) doen tentamen, mei 2019 Foto Ramon van Flymen/ Hollandse Hoogte

Maakt het neoliberale, marktgedreven hoger onderwijs zoals we dat in Nederland sinds begin jaren negentig kennen plaats voor een neostalinistisch stelsel? Als het aan de Adviesraad voor Wetenschap en Technologie en Innovatie (AWTI) ligt wel. Veel aandacht ging uit naar het pleidooi voor strengere selectie aan de poort. Maar wie het deze week aan minister Van Engelshoven (Onderwijs, D66) aangeboden rapport Het stelsel op scherp gezet in zijn geheel leest, zal concluderen dat de teneur is om van het hoger onderwijs een centraal aangestuurde planeconomie te maken.

Ironisch: de minister die de universiteit vijfentwintig jaar geleden op neoliberale leest schoeide was de socialist Jo Ritzen; de voorzitter van de commissie die nu voorstelt een neostalinistische koerswijziging door te voeren is de liberale oud-minister Uri Rosenthal. De ideologische mimicry toont opnieuw dat veranderingen in het onderwijsstelsel minder een gevolg plegen te zijn van een koelbloedige analyse van wat er werkelijk aan de hand is dan van halfdoordachte en modegevoelige veranderingsdrang.

Vriend en vijand zijn het erover eens dat het huidige hoger onderwijsstelsel gekenmerkt wordt door een streven naar een maximaal efficiënt productieproces. In mijn boek Genadezesjes vergelijk ik de neoliberale universiteit met een chemische industrie waarin het ruwe materiaal – de studenten – zo snel mogelijk, en met zo weinig mogelijk productieverlies, door het buizenstelsel moet worden gepompt. Financiering vindt plaats op basis van gekwantificeerde ‘output-indicatoren’, zoals het aantal afgestudeerden; docenten hebben als taak de doorstroom op gang te houden.

Lees ook: ‘Hoger onderwijs moet duidelijke keuzes maken’

Typerend voor de commissie-Rosenthal is de halfslachtige analyse die ze van het huidige stelsel geeft. Enerzijds erkent zij de negatieve effecten van de focus op groei die het gevolg is van output-financiering: het rapport stelt terecht dat de universiteiten steeds meer op elkaar zijn gaan lijken. Omdat ze allemaal bang zijn de boot te missen bieden ze allemaal de opleidingen aan waarvan ze denken dat ‘de markt’ erom vraagt.

Achttienjarige schoolverlater

Daar staat tegenover dat de commisie de doorstroomideologie – die het hoger onderwijs nu al in zijn voegen doet kraken – nog een extra slinger wil geven. Het liefst zouden Rosenthal c.s. helemaal uitbannen dat studenten na de middelbare school niet meteen de juiste studiekeuze maken. En omdat 18- en 19-jarige schoolverlaters nu eenmaal nogal eens niet onmiddellijk weten welke studie het beste bij hen past, moeten universiteiten meer mogelijkheden krijgen te bepalen welke studenten bij hen passen. Enter selectie aan de poort. Dit zou nodig zijn omdat instellingen voor hoger onderwijs moeten kunnen „sturen op studentenstromen om hun beoogde profiel te realiseren en om een betere match voor studenten en zo ook een groter studiesucces te verwezenlijken”.

De „studentenstromen” kunnen zo beter aansluiten bij de „maatschappelijke vraag”. Het stelsel, aldus het rapport, „levert niet de juiste mix aan afgestudeerden die de arbeidsmarkt vraagt, niet qua oriëntatie (beroepsgericht of academisch), noch qua niveau en studierichting”. Dat is stellig waar, maar het is nogal onthutsend om te constateren dat de commissie denkt dat het uiteindelijk mogelijk moet zijn studenten over de hele linie precies die dingen te leren waar werkgevers behoefte aan hebben. Dat het voltooid hebben van een academische studie voor veel werkgevers niet veel meer is dan een employability-signaal is Rosenthal ontgaan.

Strategisch kader opleggen

Het feit dat de ‘onzichtbare hand’ van de individuele beslissingen er maar niet in slaagt de studentenstromen, de maatschappelijke vraag, en – als de commisie haar zin krijgt – de instellingsprofielen op elkaar aan te sluiten, brengt Rosenthal tot zijn tweede remedie: de centrale overheid moet van bovenaf een „strategisch kader” opleggen waarin „de ambities op stelselniveau geformuleerd worden”. Met andere woorden: het zou in laatste instantie de overheid moeten zijn die vaststelt hoeveel studenten welke studies aan welke instellingen gaan doen en hoe die studies ingericht moeten worden om maximaal bij te dragen aan de vaderlandse welvaart. Het is de ultieme consequentie van de doorstroomideologie en het punt – les extrèmes se touchent – waar het neoliberale model omslaat in het neostalinistische.

Lees ook: Op de universiteit leer je alleen maar je diploma halen

Het stelsel op scherp gezet is de zoveelste proeve van een oplossing die meer van hetzelfde voorstelt. En die, als zodanig, de volgende verslechtering inluidt. Ik zou de minister dringend willen aanraden eens af te zien van halve oplossingen en – op basis van een analyse die werkelijk tot de bodem gaat – nieuwe wegen in te slaan.

Wat onderzoek betreft zou ze kunnen overwegen het huidige stelsel – waarin mensen op zoek moeten naar geld – om te ruilen voor een systeem waarin het geld op zoek gaat naar mensen.

Mannen en vrouwen op kousevoetjes

Afgelopen week bleek de 61 miljoen euro die de Nationale Wetenschapsagenda te verdelen had terechtgekomen te zijn bij zeventien projecten. Maar het halleluja-bericht van NWO vermeldde niet dat er 323 gegadigden waren; slechts iets meer dan 5 procent van de plannen is in de prijzen gevallen. Dus waarom niet eens het omgekeerde geprobeerd: onderzoekers stoppen met het schrijven van onderzoeksvoorstellen en proberen zo goed mogelijk onderzoek te doen – ondertussen sluipen een paar wijze en bijdetijdse mannen en vrouwen op kousevoetjes door het veld om te beoordelen welk onderzoek extra geld kan gebruiken.

Ook in het denken over onderwijs is het hoog tijd de bakens eens echt te verzetten. Door de doorstroomideologie is het hoger onderwijs, in de woorden van de econoom Arnold Kling, verworden is tot „het enige product waar de consument zo weinig mogelijk waar voor zijn geld verlangt”. Wie werkelijk een „toekomstbestendig” stelsel wil zou daar iets aan moeten doen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.