‘Zware psychische druk’ en bij onwil ‘platgespoten’

Onderzoek naar zusters van de Goede Herder De commissie-De Winter onderzocht ook praktijken bij de Goede Herder. Het is nu aan de minister om „vervolgstappen” te zetten.

Een van de voorwerpen gefotografeerd in het museum van de 20ste eeuw in Hoorn die genoemd worden in de diverse interviews met de meisjes van de Goede Herder.
Een van de voorwerpen gefotografeerd in het museum van de 20ste eeuw in Hoorn die genoemd worden in de diverse interviews met de meisjes van de Goede Herder. Foto Merlijn Doomernik

Meisjes die tussen 1945 en 1975 waren opgesloten in internaten van de zusters van de Goede Herder leefden „onder zware psychische druk”. Wie te opstandig was, werd „platgespoten”. En het onbetaalde werk in de wasserijen en naaizalen was een dagelijkse verplichting. Dat concludeert de commissie-De Winter in een van de deelonderzoeken naar het geweld in de jeugdzorg.

Het onderzoek naar de Goede Herder werd op het laatste moment toegevoegd aan het al lopende jeugdzorgonderzoek, op verzoek van minister Dekker (Rechtsbescherming, VVD). Aanleiding waren berichten in NRC over onbetaalde dwangarbeid van zo’n 15.000 meisjes en vrouwen sinds 1860 in de zogenoemde liefdesgestichten van deze katholieke zustercongregatie.

Lees ook: In stilte werkten duizenden meisjes gedwongen in wasserijen en naaiateliers van kloosters. Het verwoestte hun jeugd.

De conclusies van de commissie zijn vooral gebaseerd op archieven van de nonnen en op gesprekken met voormalige pupillen. Velen omschrijven hun verblijf als „een verschrikking” en „een hel”. De meisjes – vaak geplaatst door de overheid – werden fysiek verwaarloosd. De commissie: „Structureel te weinig eten krijgen, slapen op strozakken, afnemen van eigendommen, slechte hygiëne, het onthouden van medische behandeling.”

Van psychisch geweld was sprake bij het achter tralies moeten zitten bij de komst van voogd of familie, een praktijk die tot 1949 standhield. Een andere vorm van psychisch geweld was opsluiting in isoleercellen als meisjes niet gehoorzaam waren of wanneer ze waren weggelopen.

De commissie zag ook psychische verwaarlozing zoals het „uitwissen” van de oude voornaam en het onbekend en ongenoemd blijven van de achternaam. „Ook was er een verbod op het aangaan van onderlinge vriendschappen en een gebrek aan liefdevolle aandacht van de zusters”, aldus de commissie.

De commissie signaleert verder seksueel misbruik door een externe psycholoog, door een zuster en een novice, door een rector van een van de internaten en mogelijk door een pater. „Ook werd een meisje soms door de zusters gedwongen tot abortus of de morning-afterpil”, schrijft de commissie.

Arbeidstherapie

Het dagelijks hard werken in wasserijen en naaizalen zonder dat ze daar iets mee verdienden, hebben sommigen „als onrecht en als een vorm van uitbuiting ervaren”, schrijft de commissie. De arbeid was echter geen „winstgevende activiteit” voor de nonnen, en dat maakt het volgens de commissie „geloofwaardig” dat de inzet van de meisjes „inderdaad voornamelijk was ingegeven door overwegingen van therapeutische aard”.

Dat de commissie stelt dat de wasserijen voor de congregatie niet winstgevend waren, is volstrekt ongeloofwaardig in het licht van de getuigenissen die wij kennen, zegt Annemie Knibbe namens de stichting Kinderdwangarbeid Meisjes Goede Herder. De stichting ontving 140 meldingen van dwangarbeid.

Emeritus hoogleraar Jan van Dijk, expert op het gebied van mensenhandel en dwangarbeid, concludeerde in februari op basis van veertig dossiers dat de zusters zich schuldig gemaakt hebben aan kinderdwangarbeid en uitbuiting, ook naar de wetgeving van destijds.

Minister Dekker heeft toegezegd dat hij erkenning en genoegdoening wil geven aan de vrouwen, als een contraexpertise de betrokkenheid van de overheid bevestigt. Annemie Knibbe: „Wij vertrouwen erop dat we nu spoedig antwoord krijgen van de minister over de vervolgstappen die hij nodig vindt om zich van de betrokkenheid van de overheid bij de dwangarbeid te vergewissen.”