Oudst bekende cannabis-rokers zijn 2.500 jaar oud

Archeologie In een begraafplaats op de grens van China en Tadzjikistan zijn de oudste bewijzen voor het roken van cannabis teruggevonden, 2.500 jaar oud. Niet met pijpen, maar met een soort ‘rookpotten’.

Een stoof (‘rookpot’) met hittestenen waarop resten van verbrande cannabis zijn teruggevonden.
Een stoof (‘rookpot’) met hittestenen waarop resten van verbrande cannabis zijn teruggevonden. Foto Xinhua Wu

2.500 jaar geleden werd er in het uiterste westen van China al cannabis gerookt, waarschijnlijk bij begrafenisrituelen waarin vuur ritmische muziek en geestverruimende dampen een belangrijke rol speelden. Op grond van snijsporen op menselijke botten werden er bij die begrafenissen ook mensenoffers gebracht. Dit schrijven Chinese en Duitse archeologen en chemici woensdag in Science Advances naar aanleiding van onderzoek in Jirzankal op de hoogvlakte van Pamir, op het grensgebied tussen Tadzjikistan en China. Het is het oudste bekende direct bewijs voor het roken van cannabis.

Het graf M12 op de 2.500 jaar oud begraafplaats van Jirzankal (West-China) met een skelet en een van de stoven waarin cannabisresten aangetroffen werden.

Foto Xinhua Wu

De cannabis, met een verrassend hoog THC-gehalte (de werkzame stof waar je ‘high’ van wordt), werd met behulp van gaschromatografie aangetoond in organische resten aan de binnenkant van tien houten stoven uit graven in Jirzankal. Ook op een aantal stenen uit die stoven zijn cannabisresten aangetoond. De cannabis werd niet gerookt met een pijp. De pijp is een uitvinding uit Amerika, die pas na Columbus in de rest van de wereld bekend werd. De cannabisbladeren en -bloemen werden samen met gloeiend hete stenen in de houten stoven gedaan waarna de rook zich kon verspreiden en worden ingeademd, waarschijnlijk in een afgesloten tent.

Breed levende gewoonte

Het lijkt erop dat dit gebruik van cannabis onderdeel was van een breed levende Centraal-Aziatische gewoonte in het eerste millennium voor Christus. Alle oude aanwijzingen voor cannabisgebruik komen uit Centraal-Azië. In de vijfde eeuw v.Chr. beschrijft bijvoorbeeld de bekende Griekse historicus Herodotus een gewoonte van het steppevolk de Scythen die toen rondtrokken in het gebied rond de Zwarte en Kaspische Zee – niet zo heel ver van de Pamir-hoogvlakte. In een tent legden „de Scythen de zaden van hennep op hete stenen en onmiddellijk stijgt er een geur uit op die aangenamer is dan Griekse wierook. De Scythen schreeuwen het uit van vreugde in dit dampbad. Dit doen ze in plaats van baden. Ze wassen hun lichaam nooit met water” (Historiën IV:75-76). De cannabisrook werd ook gebruikt in een reinigingsritueel na een begrafenis, aldus Herodotus. Verder werden in de jaren dertig in Pazyryk, in het Altai-gebergte, op de grens van China, Rusland en Mongolië, graven gevonden uit dezelfde tijd met daarin koperen potten waarin verbrande hennepzaden zaten. Zelfs werd in een van de graven een door de koude goed bewaard gebleven frame van een klein tent gevonden: mogelijk de damptent zoals ook de Scythen gebruikten.

Ook werd tien jaar geleden in een graf van een sjamaan in West-China in een houten schaal een voorraadje bladeren en vruchtbeginsels gevonden van cannabis, die waarschijnlijk ook een ritueel doel zullen hebben gehad. Uit slijtage van de houten schaal kon worden afgeleid dat hij gebruikt was als vijzel. Waarschijnlijk werden de cannabisbladeren verpulverd en gegeten.

THC-gehalte

Het opmerkelijke van het verhaal van Herodotus en van de vondst in Pazyryk is overigens dat cannabiszaden juist niet bijzonder veel THC bevatten. Dat zit bij cannabis vooral in de bloemen van vrouwelijke planten. Maar verbrande zaden blijven altijd het best bewaard van alle plantenresten. Opvallend is ook dat in Jirzankal juist weer géén zaden zijn gevonden in de stoven. Misschien zijn de zaden te voren verwijderd of werden er alleen bladeren verbrand, zo vermoeden de archeologen. Hoe hoog het THC-gehalte in de plantenresten in Jirzankal precies was, is moeilijk te zeggen, zo verklaarde een de onderzoekers, de Duitser Robert Spengler, bij een telefonische persconferentie van Science Advances, „maar zeker niet zo hoog als van de cannabis die de laatste 40 jaar daarvoor speciaal gekweekt wordt”. Het relatief hoge THC-gehalte wordt afgeleid uit het gehalte van cannabinol (CBN), dat ontstaat uit verbranding van THC, ten opzichte van andere chemische cannabissporen (cannabidol en cannabiclol).

Of dat relatief hoge THC-gehalte ontstaan is door gerichte kweek op de Pamir-hoogvlakte of door het uitzoeken van de juiste wilde varianten, is niet duidelijk, schrijven de archeologen in Science Advances. Sowieso is er enorme spreiding in het THC-gehalte in de verschillende varianten van hennep. In de hennep die al minstens vijfduizend jaar of langer gekweekt wordt voor olie en vezels (voor touw en textiel) zit nauwelijks THC. Een wilde THC-rijke variant op de Pamir-hoogvlakte (ca. 3.000 meter) is overigens niet onwaarschijnlijk, schrijven de archeologen. Soms is een hoog THC-gehalte een gevolg van stress die de plant ondergaat door lage temperaturen, geringe voeding of veel licht met hoog UV-gehalte – niet ongewoon voor een hoogvlakte.

Landschapskunst

De begraafplaats van Jirzankal is een bijzondere plek, met een soort unieke ‘landschapskunst’ van brede banen van afwisselend witte en donkere stenen op het oppervlak, en met ronde grafheuvels op een of twee stenen ringen. Dat type grafheuvel komt vaker voor in Centraal-Azië. De hoogvlakte was ook toen al een belangrijke doorgangsroute tussen China, Centraal-Azië en het Midden-Oosten. In de graven werd zowel zijde uit China gevonden als glazen kralen en harpen uit het Midden-Oosten. En in de graven lagen ook zowel mensen uit de streek als mensen van elders, zo blijkt uit isotoopanalyse van de tanden.

Opvallend is dat vrijwel alleen in de graven van de lokale mensen cannabisresten werden gevonden. Het gebruik van vuurstoven zou verder een invloed van het van oorsprong Perzische zoroastrisme kunnen zijn, dat in Centraal-Azië werd verspreid door de Sogdiërs, een waarschijnlijk aan de Scythen verwant, Iraanssprekend nomadenvolk dat iets westelijker leefde in het huidige grensgebied tussen Turkmenistan, Tadzjikistan, Oezbekistan en Afghanistan. Ook de potjes met ronde bodems en de vorm van kammen wijzen op die connectie met zoroastrisme. In een eerdere Chinese publicatie (Acta Archaeologica Sinica) suggereren de archeologen zelfs dat dit grafveld zo oud is dat het wel eens de oudste archeologisch resten van Zoroastrisme zouden kunnen zijn en dat dus Zoroastrism niet in Perzië maar op deze hoogvlakte kan zijn ontstaan.

De onderzoekers in Science Advances denken niet dat het cannabisgebruik daadwerkelijk is ontstaan op de Pamir-hoogvlakte, maar wel dat de vlakte met al zijn culturele contacten een rol kan hebben gespeeld bij de verspreiding over Centraal-Azie. Ze wijzen overigens een vaak genoemde andere hypothese af: dat cannabisgebruik al circa 3000 v.Chr. verder naar het westen is ontstaan, onder het Centraal-Aziatische steppevolk de Yamnaya, die als eerste het paard temden. Mogelijk waren zij ook de oersprekers van het Indo-Europees. Er is geen enkel bewijs voor hennep met een hoog THC-gehalte uit die tijd en dat gebied, aldus de archeologen. Dat is er nu feitelijk alleen uit Jirzankal, 2500 jaar geleden. Maar nieuwe vondsten kunnen dat beeld snel weer veranderen.