Pianist Emanuel Ax: „De lessen van Arthur Rubinstein waren tijdreizen naar de negentiende eeuw.”

Foto Lisa Marie Mazzucco

‘Muziek is mijn vrouw en mijn minnares’

Emanuel Ax Als tiener sloop hij Carnegie Hall in om de grote pianisten te horen repeteren. Nu is hij zelf een van de groten. Dit weekend is Ax in Nederland.

De Amerikaanse pianist Emanuel Ax vierde afgelopen weekend zijn zeventigste verjaardag op het winderige centercourt van Roland Garros in Parijs, het podium waar schoonheid het doorgaans moet afleggen tegen wilskracht. De gaten in zijn drukke concertschema vallen vaak rond de beslissende week van de vier grandslamtoernooien. En wanneer hij zijn grote liefde verklaart aan de pianistiek van Frédéric Chopin, grijpt Ax zelfs even naar een tennismetafoor. „In zijn muziek voelt het alsof je alle ballen volmaakt in het hart van het racketblad raakt.”

Zondagavond besluit Ax het seizoen van de serie Meesterpianisten, onder meer met Chopin. „Zijn werken vormen een verbazend mengsel van invloeden”, zegt Ax. „Romantisch en gedisciplineerd tegelijkertijd: Chopin erfde de strenge precisie van zijn Franse vader en de ongetemde hartstocht van zijn Poolse moeder.”

Emanuel Ax weet hoe het voelt: een ziel gesmeed uit verschillende identiteiten. Hij bracht zijn vroege kinderjaren door in een versplinterd Oost-Europa. Zijn wieg stond – net als die van zijn ouders – in Lviv, de nu Oekraïense stad waar verschillende nationale vlaggen wapperden in de eerste helft van de twintigste eeuw. „Alle machtswisselingen betekenden dat vader werd geboren in Oostenrijk-Hongarije, moeder in Polen en ik in de Sovjet-Unie.”

Zijn ouders wisten aan de Holocaust te ontkomen. Een priester bood zijn vader bijna drie jaar lang een onderduikplek in de kelder van de kerk, en zijn moeder ging – na ontsnapping uit een werkkamp – met valse papieren door het leven als niet-Jodin. Beiden wilden dat trauma achter zich laten, maar het duurde na de oorlog nog tien jaar voor ze van de communistische dictatuur mochten verhuizen van Lviv naar Warschau.

Arthur Rubenstein

Inmiddels was Emanuel geboren. Zijn vader, een stemtherapeut, nam hem als kind vaak mee naar de opera in Lviv, „nog een overblijfsel uit de Habsburgse tijd”, zegt Ax. „Sprekend de Staatsoper in Wenen, alleen dan in zakformaat.” Daar bloeide zijn liefde op voor de lange lijnen van de menselijke stem. „Wij pianisten laten onze instrumenten graag zingen. Thuis speel ik nog vaak de muziek uit Tsjaikovski’s Jevgeni Onegin, de eerste opera waar we naartoe gingen.”

Twee jaar verbleef het gezin Ax in het ‘vrijere’ Warschau, „waar elke piano Chopin leek te ademen”. Daarna lukte het om met de tienjarige Emanuel te emigreren naar Canada, ver weg van hun bittere herinneringen. In Winnipeg woonde familie van zijn moeder, maar de stad had geen werk voor stemtherapeuten, zodat zijn vader al snel besloot zijn geluk te beproeven 2.500 kilometer oostelijker, in New York.

Het gaat uiteindelijk om het vinden van de hartslag van een muziekstuk

„Daar werd hij aanvankelijk huismeester van een rijkaard met een bovenwoning tegenover Carnegie Hall. Op het dak van dit complex stond zo’n karakteristieke watertoren. En daaronder bevond zich een oud dienstbodenverblijf. In die twee kleine kamers namen wij onze intrek. Als jonge tiener stak ik vaak de straat over en sloop Carnegie Hall binnen door een zijdeur. In het duister van het lage balkon hoorde ik alle groten repeteren. Eenmaal thuis probeerde ik hun stijlen na te bootsen. Mijn grote held destijds was Arthur Rubinstein. Ook een Poolse Jood, dus in mijn ogen deelden we eenzelfde achtergrond. In mijn dromen speelde ik zoals hij: vrij en met die prachtige melodische lijn.”

Spontaan

Na zijn overwinning in het eerste Arthur Rubinstein Concours in Tel Aviv – halverwege de jaren zeventig – kreeg Ax enkele lessen van de ruim zestig jaar oudere legende. „Het was tijdreizen naar de negentiende eeuw. Hij vertelde me over zijn ontmoetingen met vioolvirtuoos Joseph Joachim, de beste vriend van Johannes Brahms. Het gevoel bekroop me dat ik via Rubinstein de componist zelf hoorde spreken. Hij besmette mij met zijn bezetenheid voor Brahms. Ik beluister zijn vroege opnamen nog vaak. Die zijn zo spontaan en gedurfd; Rubinstein geeft zich daar over aan de muziek.”

De winst in Tel Aviv opende voor Ax de deuren naar een grote loopbaan, die alweer bijna een halve eeuw omspant. Overal waar hij komt sluit het publiek de zachtmoedige pianist in de armen. En in zijn spel proef je de verwondering over alle schoonheid en betekenis die hij mag doorgeven. „Muziek is mijn vrouw en mijn minnares, wat het voordeel heeft dat zij tegelijkertijd bekend en nieuw aanvoelt, en ik dus nooit op haar uitgekeken raak. Er valt altijd weer iets te ontdekken.”

Maar vraag hem niet naar zijn geheim. Dan haalt Emanuel Ax met een bescheiden glimlach de schouders op. „Ik heb geluk gehad”, mompelt hij. Toch, wanneer hij spreekt over de innige band met dirigent Bernard Haitink, licht hij een sluier op van zijn eigen streven: „Het gaat uiteindelijk om het vinden van de hartslag van een stuk. Voor de luisteraar moet de muziek voelen als bloed dat door hun aderen ruist.”