Migrantenkinderen verdienen minder

Inkomensverschillen Kinderen van migranten verdienen minder dan autochtone kinderen. Het verschil is de laatste vijftien jaar niet kleiner geworden.

Foto Getty

Mensen met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Antilliaanse migratieachtergrond hebben ongeveer een kwart minder te besteden dan autochtone Nederlanders. Deze inkomensverschillen overleven de generaties: bij een gelijk inkomen van de ouders hebben migrantenkinderen gemiddeld een lager inkomen dan kinderen zonder migratieachtergrond. De inkomensverschillen tussen mensen met en zonder wortels in het buitenland verdwijnen niet vanzelf.

Dat blijkt uit een onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) dat woensdag is gepubliceerd. De onderzoekers constateren dat de situatie in de laatste vijftien jaar nauwelijks is gewijzigd. Naast allerlei individuele en sociale nadelen blijft hierdoor arbeidspotentieel onbenut voor de economie. Maatregelen in onderwijs en arbeidsmarkt zijn wenselijk.

Het CPB keek naar personen met wortels in Suriname, de Antillen, Turkije en Marokko. Omdat zij al langer in Nederland zijn, kan ook de ontwikkeling worden geschetst. Eén op de dertien Nederlanders hoort bij een van deze vier migrantengroepen. Het onderzoek toont verschillen per migrantengroep en voor mannen en vrouwen. De achterstand van Surinaamse Nederlanders is sinds 2003 toegenomen, die van Marokkaanse en Turkse Nederlanders is juist afgenomen. Bij vrouwen zijn de verschillen in persoonlijk inkomen veel kleiner dan bij mannen.

Aanzienlijk lager uurloon

(Klein)kinderen van migranten hebben minder vaak betaald werk. Bij de mannen ligt het aandeel personen met betaald werk ruim 10 tot 20 procentpunt lager dan bij mannen met autochtone wortels. Bij vrouwen gaat het zelfs om een verschil van 15 tot 35 procentpunt. Daarnaast ligt het uurloon aanzienlijk lager. De achterstand varieert van 4 procent lager voor mannen en vrouwen met een Antilliaanse achtergrond tot 29 procent voor vrouwen met een Turkse achtergrond.

Verschil in opleidingsniveau is slechts een gedeeltelijke verklaring voor de achterstand. Andere factoren die volgens het CPB meespelen zijn studiekeuze, sociale netwerken, type baan, culturele verschillen, minder goede beheersing van het Nederlands en discriminatie op de arbeidsmarkt.

Om de verschillen te verkleinen moet de overheid zich richten op het onderwijs en de arbeidsmarkt. Het gaat daarbij om (taal)onderwijs voor peuters, bestrijden van voortijdig schoolverlaten en het stimuleren van ‘stapelen’ (opklimmen in het onderwijssysteem).

Daarnaast is het nuttig om informatie over baankansen van opleidingen te verbeteren, hulp te bieden bij het vinden van stages en discriminatie op het werk – met name vooroordelen bij werkgevers en uitzendbureaus – te bestrijden. Het CPB constateert ook dat het verschil tussen vaste en flexibele contracten erg groot is in Nederland. Omdat mensen met een migratieachtergrond vaak een flexibele baan hebben, is hun loon lager en ontwikkelen ze zich minder.