Foto Getty Images/iStock

‘In jeugdzorg is een systeem ontstaan waarin iedereen continu stress ervaart’

Interview Hoogleraar Jan Hendriks deed voor de Commissie Geweld Jeugdzorg onderzoek naar daders van geweld in de jeugdzorg. Zijn conclusie: dé geweldpleger bestaat niet.

Jan Hendriks doet al zijn hele werkende leven onderzoek naar daders. De puber die een kleuter in de bosjes betast. De vader die zijn kinderen slaat. De jongens die seks afdwingen van een meisje in een kelderbox. De volwassene met zijn computer vol kinderporno.

Hendriks onderzocht namens de commissie-Samson tussen 2010 en 2012 wie dader zou kunnen worden van seksueel misbruik in jeugdzorginstellingen en pleeggezinnen. Toen niet lang daarna de commissie-De Winter werd opgericht om onderzoek te doen naar geweld in deze sector, werd Hendriks, hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, er op het laatste moment bij gevraagd. In de commissie werd kennis over de dader en de context waarin geweld kon plaatsvinden gemist.

Lees ook Commissie: kinderen in jeugdzorg onvoldoende beschermd tegen geweld

De belangrijkste conclusie van zijn deelonderzoek: er is niet zoiets als dé geweldpleger. Het geweld, zegt Hendriks, is altijd afhankelijk van de context, van iemands achtergrond en motieven. „Natuurlijk zit er een enkele gestoorde groepsleider tussen die plezier haalt uit machtsvertoon, maar dat is niet de kern van het probleem. Dat zagen we al toen we met de commissie-Samson nagingen of die daders bekend waren bij justitie. Dat bleek nauwelijks het geval.”

Om geweld in de jeugdzorg te kunnen aanpakken, moet je weten hoe het ontstaat en waarom. De commissie-De Winter vatte de opdracht breed op en deed onderzoek van de Tweede Wereldoorlog tot heden – periodes waarin nogal verschillend over opvoeden werd gedacht. Zeker in de beginjaren, zegt Hendriks, werd geweld in de opvoeding min of meer als normaal beschouwd. „In grote pleeggezinnen heerste kadaverdiscipline: kinderen moeten zich aanpassen aan de geldende regels en voor individuele aandacht was nauwelijks tijd.”

Vanaf de jaren zestig kwamen er steeds meer pedagogen die zeiden dat kinderen aandacht en warmte nodig hebben. Toch is er, zeker in de zware instellingen, een voortdurend spanningsveld tussen beheersing en behandeling.

Uw rapport is onder meer gebaseerd op informatie van 699 klachten bij het meldpunt van de Commissie Geweld Jeugdzorg. Wat waren dat voor meldingen?

„Hele ernstige zaken. Veelal geweld door groepsleiding of pleegouders, in meer dan 90 procent van de gevallen ging het om structureel geweld. Bepaalde instellingen kwamen regelmatig terug.

„Veel meldingen gaan over de tijd van de grotere katholieke internaten waarin geweld door nonnen en paters nogal eens voorkwam. Daar hebben we wel mee geworsteld: in hoeverre is dit representatief? Uit een ander onderzoek, een steekproef van [onderzoeksbureau] Kantar, komt een heel ander beeld naar voren. Daarin zeggen mensen die in jeugdzorg hebben gezeten: het waren vooral mijn groepsgenoten die geweld vertoonden. Meer dan de helft heeft nooit psychisch of fysiek geweld ervaren. Het is niet zo dat de jeugdzorg collectief gefaald heeft.”

Wat is er sinds de jaren vijftig en zestig veranderd?

„In de jaren vijftig en zestig waren de groepen veel groter, maar ook meer gemengd. Er zaten kinderen tussen van wie de ouders ziek waren of om een andere reden niet in staat waren om voor hen te zorgen. Omdat we jongeren nu minder snel uit huis willen plaatsen, is er een verdikking opgetreden van de problematiek. Kinderen met een laag IQ, trauma’s, adhd, een verleden van verwaarlozing, zitten bij elkaar in een groep.

„Tegelijkertijd is er een tekort aan goed geschoolde groepsleiding en ondersteuning van pedagogische gedragswetenschappers. Een gevaarlijke cocktail: er is een systeem ontstaan waarin iedereen, zeker in de zwaardere instellingen, continu stress ervaart. Met als gevolg een veel hogere kans op het gebruik van geweld.”

Een groepsleider die in een gesloten jeugdzorginstelling werkt, zegt in het rapport dat het verstandig is dat werk niet langer dan een jaar of vijf te doen. Hoe kijkt u daarnaar?

„Dat hoor ik vaker. Er zijn natuurlijk hele goede groepsleiders die voldoende gezag en kennis hebben om het langer vol te houden. Maar je merkt dat er bij mensen die langere tijd in zo’n setting werken een soort slijtage van normen plaatsvindt. Die zeggen: ze mogen me best uitschelden voor klootzak of hoer, als ze de boel niet kort en klein slaan. Ze hebben vaak geen keuze, het is een manier om te overleven. Je kunt niet op alle slakken zout leggen.”

Zijn jeugdzorg en geweld onlosmakelijk met elkaar verbonden?

„Geweld is net als seksueel misbruik van alle tijden, dat geldt voor de hele samenleving. Je kan het nooit helemaal uitbannen. Maar je wil natuurlijk dat het zo min mogelijk voorkomt.

„We weten nu dat er een aantal omstandigheden zijn waaronder geweld eerder plaatsvindt, bijvoorbeeld wanneer er veel moeilijke kinderen in een groep zitten. Als je de groepen kleiner maakt, voelen kinderen zich veiliger, dan hebben ze niet continu het idee: ik moet mezelf bewijzen, ik moet de baas spelen, want anders speelt iemand anders de baas over mij.

„Omdat uit het onderzoek blijkt dat in instellingen meer geweld voorkomt dan in pleeggezinnen, is dit een extra krachtig argument om zo min mogelijk kinderen in instellingen te plaatsen.”

Hoe kan verder voorkomen worden dat mensen geweld plegen?

„Een van de grote problemen in de jeugdzorg is het gebrek aan pedagogische continuïteit. Het personeelsverloop is ontzettend hoog, mede omdat het werk als heel zwaar wordt ervaren. Je wil dat mensen een tijdje blijven in een instelling, een band opbouwen met de kinderen en de methodiek onder de knie krijgen. Maar vaak zijn ze na korte tijd weer weg, bijvoorbeeld omdat binnen dezelfde organisatie minder zware functies worden aangeboden die beter betalen. Zo ben je dus voortdurend mensen aan het weg schrapen. Dat is niet goed. Er zijn betere beroepsperspectieven nodig in de jeugdzorg en een betere waardering. Laten we reëel zijn: mensen werken ook voor het geld.”