In de traditie van de polder

Ewoud Sanders

Langzaam maar zeker breidt het politieke polderjargon zich verder uit. Minister Wouter Koolmees omschreef het principeakkoord voor een nieuw pensioenstelsel vorige week als „een evenwichtig akkoord, dat past in de traditie van de polder”.

Koolmees was niet de eerste die het over de poldertraditie had, maar vanwege het grote maatschappelijke belang van dit principeakkoord kwam deze formulering nu nadrukkelijk in het nieuws.

Er zou inmiddels een beknopt polderwoordenboek kunnen worden samengesteld. Chronologisch gezien zou dat moeten beginnen met poldermodel. Bij mijn weten is dat woord – dat hier al eens eerder ter sprake kwam – voor het eerst gebruikt door de CPN-politica Ina Brouwer. In 1990 schreef zij in het tijdschrift Politiek en Cultuur een artikel getiteld „Het socialisme als poldermodel?”

Dat Brouwer zelden als de bedenkster van dit woord wordt genoemd, komt doordat het pas jaren later doorbrak. Eind 1995 werd het door Evert Rongen, voormalig directeur van DSM Limburg, gebruikt op een PvdA-symposium. Een jaar later volgde de echte doorbraak in de media, nadat minister Hans Wijers tevergeefs had geprobeerd om het woord delta-model in omloop te brengen: „Wij willen geen poldermodel waarin niveaus laag blijven, maar een delta-model waarin we door aanpassing de weg omhoog vinden.”

Om in het poldermodel tot resultaten te komen moet je polderen. De Dikke Van Dale geeft bij dit woord inmiddels twee definities: ‘Proberen om door overleg de problemen op te lossen, zoals in het poldermodel’ en ‘(ongunstig) eindeloos beraadslagen zonder beslissingen te durven nemen’. Michaël Zeeman schreef ooit: „Polderen is praten tot je erbij neervalt.”

Wellicht heeft de ongunstige betekenis van polderen ervoor gezorgd dat zowel politici als journalisten het werkwoord tegenwoordig liever vermijden. Dit doen zij zonder echt afscheid te nemen van de poldermetafoor, want die is geworteld in de Nederlandse klei.

Een artikel over de pensioenplannen van Bernard Wientjes, de vorige voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW, verscheen tien jaar geleden in de Volkskrant onder de kop: „Storm in de polder.” Vorige week schreef die krant in een bericht over de bonte samenstelling van het zogenoemde ledenparlement van de FNV: „De polder is een verzameling van polders.” Leg de betekenis van zo’n zin maar eens uit aan iemand die onze taal probeert te leren.

De beeldspraak de (beste of goede) traditie van de polder bestaat inmiddels zo’n tien jaar. Zo schreef Het Financieele Dagblad in 2009: „De voortekenen om opnieuw, in de beste traditie van de ‘polder’, tot werkbare afspraken te komen zijn niet zo gunstig.” Interessant is dat het woord polder hier nog tussen aanhalingstekens werd gezet, alsof de overdrachtelijke betekenis ervan toen niet al jarenlang bekend was.

Alfabetisch zou het polderwoordenboek moeten beginnen met woorden als polderaars en polderabracadabra (Femke Halsema in 2003). Aan het eind zou plaats moeten worden ingeruimd voor polderzeiker(d). Dat woord kwam ik tegen in een Facebook-bericht waarin iemand opkwam voor Thierry Baudet: ,,Hij is zichzelf (…) De rest is bijzaak, voer voor polderzeikers die geen raad weten met hun tijd.”

De vraag is of er nu werkelijk een polderpensioen komt. Die samenstelling bestaat overigens al sinds 1997 en ontstond kort na poldermodel, de bron van al deze neologismen.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders