Rein Wolfs in de Bundeskunsthalle in Bonn.

Foto Meike Boeschemeyer/Hollandse Hoogte

‘Het Stedelijk Museum laat niemand onberoerd’

Nieuwe directeur Rein Wolfs wil geen tussenpaus zijn. De nieuwe directeur van het Stedelijk wil dat het museum na moeilijke jaren een nieuw zelfbewustzijn ontwikkelt. Lokale bezoekers mogen niet ondergaan in de toeristenstroom. „Iedereen heeft een mening over het Stedelijk. Meer kun je je niet wensen.”

Na ruim een kwarteeuw bij Duitstalige musea te hebben gewerkt, is het Nederlands van Rein Wolfs (58) een beetje roestig. De huidige directeur van de Bundeskunsthalle in Bonn, die vanaf 1 december de nieuwe directeur is van het Stedelijk Museum Amsterdam, zoekt af en toe naar een woord en ook gebruikt hij germanismen als ‘opgavenpakket’. Maar verder blijkt uit niets dat hij de band met Nederland kwijt zou zijn.

Vanuit Zwitserland, waar hij de kunstbeurs Art Basel bezoekt, vertelt Wolfs over over de sterke en zwakke punten van het Stedelijk. En hoe hij boze, teleurgestelde particuliere begunstigers weer achter het museum denkt te krijgen.

U had net tot 2023 bijgetekend bij de Bundeskunsthalle. Waren ze daar teleurgesteld over uw vertrek?

„Ja. Maar ze zagen ook dat het een kans is die ze me niet mochten onthouden.”

Was het uw ambitie om nog eens in Nederland te werken?

„Ik had verwacht in Duitsland te blijven. Maar tijdens mijn studietijd in Amsterdam zat ik vaak in de bibliotheek van het Stedelijk. Toen hield ik mezelf al voor: hier zou ik weleens directeur willen zijn.”

Vijf jaar geleden werd uw naam al genoemd. Solliciteerde u toen ook al?

„Dat zou best weleens kunnen. Maar ik wil daar niet te veel over zeggen. Sollicitatieprocedures zijn discreet, althans dat zouden ze moeten zijn.”

Aan welke Duitse museumpraktijken kunnen we hier een voorbeeld nemen?

„Sommige Duitse musea hebben de laatste decennia goed nagedacht hoe ze verder moesten gaan. Neem de Kunstsammlung NRW in Düsseldorf. Daar is de hedendaagse kunst ondergebracht in een apart gebouw, K21. Bij uitbreidingen hebben Duitse musea vaak inhoudelijk veranderingen doorgevoerd. Nederlandse musea gaan bij uitbreidingen meestal alleen een beetje groter denken.”

Wat is beter?

„Het is goed om een museum van tijd tot tijd onder de loep te leggen en te onderzoeken of de oude functies nog steeds bij elkaar passen. Dat het Stedelijk zowel een museum van moderne als van hedendaagse kunst en vormgeving is, is gerechtvaardigd. Het heeft een fantastische vaste collectie én geldt op nationaal niveau als hét museum voor hedendaagse kunst en vormgeving. Maar als ik het hele Nederlandse aanbod overzie, zou wat meer variatie en specialisatie goed zijn.”

U kondigde aan het Stedelijk ‘diverser’ te willen maken. Wat bedoelt u daarmee?

„Diversiteit is een maatschappelijk thema geworden. Dat verdient een cultuurpolitiek antwoord. Hoe? Met de staf ga ik een recept ontwikkelen. Door meer focus te leggen op het lokale, regionale en nationale, kan je meer publieksgroepen aan het museum binden. Ook is het een uitdaging om de lokale bezoeker het gevoel te geven dat hij deelgenoot is en zich kan identificeren met het museum, en niet een toevallige bezoeker in de enorme toeristenstroom.

U wilt ook dat het Stedelijk meer deelneemt aan het maatschappelijk debat. Wat gaan we over drie jaar meemaken?

Lachend: „Over drie jaar? We weten vandaag niet eens wat we morgen zullen meemaken. Het is belangrijk dat we in het museum niet alleen esthetische vragen stellen. Kijk naar de vele discussies die de afgelopen tijd in het cultuurleven op gang kwamen. Een aantal jaren geleden hadden we ons toch niet kunnen voorstellen dat kunst uit musea zou worden verwijderd vanwege de koloniale herkomstgeschiedenis?”

Wat is de sterkste kant van het Stedelijk?

„Dat het een uitgesproken publiek museum is dat niemand onberoerd laat. Iedereen heeft een mening over het Stedelijk. Meer kun je je niet wensen.”

Wat dient als eerste te worden verbeterd?

„We moeten een nieuw zelfbewustzijn creëren. Het Stedelijk heeft een revolutionaire geschiedenis. Met twee, drie andere musea heeft het de moderne hedendaagse kunst in Europa als eerste gepresenteerd. Maar we moeten wel beseffen dat de wereld anders is dan dertig, veertig jaar geleden.

„Vandaag kan het Stedelijk op een bepaalde manier weer net zo dynamisch zijn als destijds. Maar daar hoort wel een ander verwachtingspatroon bij. Niet alleen hebben we te maken met een veel grotere concurrentie, ook wordt alles in een veel breder globaal perspectief beoordeeld.

„Tegelijk hoop ik in het Stedelijk weer iets meer moderne, naoorlogse kunst te laten zien. Dus naast de vaste opstelling Base ook in de vorm van tentoonstellingen. Wat ik van Base vind? Het is belangrijk dat het experiment gedaan is, maar het is tijd voor een evaluatie.”

Uw voorganger, Beatrix Ruf, vond bezoekcijfers minder belangrijk. Hoe denkt u over blockbusters?

„In een tijd waarin maatschappelijke relevantie telt, zijn exposities met een groot publieksbereik noodzakelijk. Ik heb ook niet het gevoel dat met een toenemend aantal bezoekers belangrijke waarden verloren gaan. Belangrijk is wel dat er een spanningsveld is. Het museum mag niet braaf worden en er moet altijd iets wringen. Dus naast iets heel groots ook iets heel kleins.”

In januari maakte het Stedelijk bekend dat Beatrix Ruf het Stedelijk mogelijk gaat helpen bij exposities. Ziet u uit naar de samenwerking met uw voorganger?

„Ik ken Beatrix al lang en ik schat haar kwaliteiten hoog in. We gaan in gesprek over hoe we de afspraken zullen interpreteren.”

Als Stedelijk-directeur beëindigt u op één na al uw nevenactiviteiten. Waarom?

„Omdat de meeste nevenactiviteiten in Duitsland zijn en ik voorzie dat ik niet veel tijd zal hebben.”

Ruf had meer dan twintig nevenactiviteiten verdeeld over drie continenten.

„Volgens de museumrichtlijnen is het niet goed om verschillende partijen bij collectievorming te adviseren als je ook verantwoordelijk bent voor de vorming van een museumcollectie. Na alle discussie lijkt het me verstandig om zo zorgvuldig mogelijk om te gaan met nevenactiviteiten.”

Nogal wat particuliere begunstigers zijn ongelukkig over het vertrek van Ruf. Hoe gaat u hen terughalen?

„Door één op één met ze in gesprek te gaan. Ik ben er optimistisch over. Het museum heeft genoeg te bieden en we willen allemaal een beetje bij het Stedelijk horen.”

Volgend jaar wordt u zestig. Is dit uw laatste vaste baan?

Lachend: „Ik weet niet hoe het pensioenakkoord in Nederland uitpakt. Het zou kunnen. Maar ook na mijn tijd in Amsterdam leg ik me niet te ruste. Ik wil lang doorgaan en me blijven vernieuwen.”