Commissie: kinderen in jeugdzorg onvoldoende beschermd tegen geweld

Rapport Het toezicht op de jeugdzorg is vanaf 1945 tekortgeschoten, stelt de Commissie Geweld Jeugdzorg. De overheid reageerde nauwelijks op signalen van geweld.

Micha de Winter (midden), voorzitter de Commissie Geweld Jeugdzorg, met ministers Hugo de Jonge (Volksgezondheid, Welzijn en Sport, CDA, links) en Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD).
Micha de Winter (midden), voorzitter de Commissie Geweld Jeugdzorg, met ministers Hugo de Jonge (Volksgezondheid, Welzijn en Sport, CDA, links) en Sander Dekker (Rechtsbescherming, VVD). Foto Roel Rozenburg/ANP

Kinderen die vanaf 1945 in jeugdzorginstellingen of pleeggezinnen verbleven, zijn onvoldoende beschermd tegen fysiek, psychisch en seksueel geweld. Dat maakte de Commissie Geweld Jeugdzorg woensdagmiddag bekend bij de presentatie van haar eindrapport.

Het toezicht op de jeugdzorg is volgens de commissie in de gehele periode tekortgeschoten. De overheid bleef in de praktijk op afstand, en reageerde – grote calamiteiten daargelaten – nauwelijks op signalen van geweld. Uit representatief bevolkingsonderzoek bleek dat ongeveer een op de tien personen die ooit in jeugdzorg verbleef, vaak tot zeer vaak geweld ervoer. Een kwart maakte nooit geweld mee.

Lees ook Hoogleraar Jan Hendriks: ‘Een systeem waarin iedereen continu stress ervaart’

Twee jaar lang deed een zevenkoppige commissie van pedagogen, psychologen, criminologen en historici onder leiding van hoogleraar pedagogiek Micha de Winter onderzoek naar de aard en omvang van geweld in de jeugdzorg. Het onderzoek werd ingesteld in opdracht van het kabinet en volgt op bevindingen van de commissie-Samson, die in 2012 constateerde dat seksueel misbruik in jeugdinstellingen „schokkend vaak” voorkwam.

De Winter noemt het onderzoek „een zwarte bladzijde uit onze geschiedenis die zichtbaar moest worden”. Het officiële rapport omvat zo’n 5.000 pagina’s bronnenmateriaal, onder meer verhalen over langdurige psychische en lichamelijke mishandelingen. De Winter: „De schellen vallen van je ogen als je het leest.” Toch wil hij het beeld bestrijden dat de jeugdzorg een sector is die altijd bol stond van geweld. „Er zijn mensen die zeggen dat ze zijn gered door jeugdzorg. Er wordt bovendien complex werk gedaan voor de hele samenleving.”

Tot op het bot vernederd

Een van de lastigste opgaven voor zijn commissie, zegt De Winter, was voorkomen dat het verleden beoordeeld zou worden met de bril van nu. „De eerste verhalen die ik hoorde, gingen over kinderen die in de jaren vijftig en zestig bij de nonnen in een internaat werden geplaatst. Zij plasten zonder uitzondering in bed en werden daarom tot op het bot vernederd. Ze kregen de natte onderbroek in hun mond gepropt. Je denkt: hoe kán dat? Wie doet zoiets?”

Literatuur- en archiefonderzoek en vele gesprekken met betrokkenen gaven de commissie inzicht in achterliggende mechanismen, aldus de voorzitter. „Zo leerden we dat die nonnen vaak meisjes waren die zelf op hun 18de uit huis waren gehaald, zich geen raad wisten, en zonder enige ervaring op een groep van dertig kinderen werden geplaatst. Dat moest wel tot ongelukken leiden.” Maar: „Het zoeken naar verklaringen betekent niet dat we het geweld willen goedpraten of relativeren.”

De commissie riep een meldpunt in het leven. Tussen november 2016 en begin dit jaar kwamen 942 meldingen binnen, waarvan 699 binnen de doelgroep vielen. De meeste meldingen gingen over de jaren vóór 1970, en betroffen fysiek en psychisch geweld door groepsleiding en pleegouders. Meer dan de helft bleek het geweld als kind niet te hebben gemeld. Na 1970 is er volgens het rapport een verschuiving te zien naar meer fysiek geweld van jongeren onderling. Er zijn „aanwijzingen” dat dit sindsdien is toegenomen.

Geïnterviewde melders spraken ook over de negatieve effecten die het geweld op hen had: van nachtmerries en burn-outs tot het ontwikkelen van een posttraumatische stresstoornis. Ze kregen faalangst en minderwaardigheidsgevoelens. Een deel verloor het vertrouwen in de ander, en had last van verlatingsangst. Sommigen hadden moeite met relaties en het aangeven van grenzen.

Lees ook De meisjes van de Goede Herder

Negatieve kijk op pupillen

Het antwoord op de vraag hoe dit heeft kunnen gebeuren, is niet eenduidig. De Winter: „De opvattingen over opvoeding zijn natuurlijk erg veranderd. In de jaren na de oorlog overheerste een negatieve kijk op de pupillen – zij moesten worden gedisciplineerd.” Bepaalde risicofactoren voor geweld zijn door de jaren heen echter altijd aanwezig. Zo leidt het tot onveilige situaties wanneer kinderen met problemen bij elkaar worden geplaatst. In de laatste decennia zijn er vooral problemen van personele aard: de groepen zijn te groot, de bezetting te laag, er is sprake van veel verloop en ondergekwalificeerde begeleiders. De jeugdzorg, concludeert de commissie, is financieel verwaarloosd. De Winter: „Het is nooit een sexy sector geweest.”

Het rapport bevat dertien aanbevelingen voor de toekomst, waaronder beter toezicht, kleinere groepen en het invoeren van onafhankelijke vertrouwenspersonen. Gevraagd naar welke aanbeveling prioriteit zou moeten krijgen, zegt De Winter dat alle betrokken partijen ruimhartig hun verantwoordelijkheid voor het geweld moeten accepteren. Horen daar ook excuses bij? „Ja. Ik denk dat dat belangrijk is voor degenen die geweld is overkomen. Maar er moet meer gebeuren. Hun verhalen moeten worden gehoord en verzameld. Mensen willen hun ervaringen delen, hebben we gezien. Zodat het nooit meer gebeurt.”