Recensie

Recensie Muziek

Vurige opvoering van duister meesterwerk van Sjostakovitsj

Klassiek Eva-Maria Westbroek en Mikhail Petrenko schitteren bij Amsterdam Sinfonietta in de ‘Veertiende symfonie’.

Operazangeres Eva-Maria Westbroek excelleerde in het ijzingwekkende ‘Lorelei’ en Rilkes macabere ‘Sluitstuk’.
Operazangeres Eva-Maria Westbroek excelleerde in het ijzingwekkende ‘Lorelei’ en Rilkes macabere ‘Sluitstuk’. Foto Fazil Berisha

Componisten Arvo Pärt en Dmitri Sjostakovitsj hadden niet veel gemeen, maar deelden wel een grote bewondering voor hun collega Benjamin Britten. Ze droegen zelfs alle twee een stuk aan Britten op, waarvan Pärts onverwoestbare Cantus in memoriam Benjamin Britten het bekendst is. In een slim, divers programma combineerde Amsterdam Sinfonietta die werken van Pärt en Sjostakovitsj met Brittens eigen Variations on a theme of Frank Bridge – nog een saluut aan een collega. Zo opende de avond menig doorkijkje in de muziekgeschiedenis.

Britten ging nogal aan de haal met dat thema van zijn voormalige leraar Bridge en verwerkte het tot negen heerlijke variaties, die tegelijkertijd stijlpastiches zijn – een Weense wals, een klassieke bourrée. Er is zelfs een marche funèbre die geraffineerd (middenstemmen, geprononceerde ritmiek) een gedragen mahleriaanse sfeer oproept. Variations is een vrolijk stemmend, razend virtuoos gecomponeerd én samenhangend werk, dat door Amsterdam Sinfonietta vurig gespeeld werd. De eerste twee variaties, met hun hoekige motoriek, hadden zelfs wat weg van Sjostakovitsj.

Mahleriaans

Sjostakovitsj’ voorlaatste symfonie, nummer 14, heeft een vorm die je dan weer mahleriaans zou kunnen noemen: een elfdelige liedcyclus tégen de dood, op gedichten van Lorca, Apollinaire, de Rus Küchelbecker en Rilke. Amsterdam Sinfonietta, uitgebreid met percussie en celesta, castte twee topsolisten voor dit duistere meesterwerk.

Eva-Maria Westbroek, die ooit doorbrak in Sjostakovitsj’ opera Lady Macbeth van Mtsensk, beheerste het idioom tot in de finesses, of het nu ging om een woeste dodendans (‘Malagueña’) of de ontroerende klacht in ‘De zelfmoordenaar’, in haar gure eenzaamheid begeleid maar niet verlicht door de solocello van Kaori Yamagami.

Minstens zo goed was Mikhail Petrenko, met zijn verpletterende laagte (‘De profundis’) en zijn gloedvolle voordracht in ‘Aan Delvig’, een indringend lied over de waarde van kunst in het aangezicht van de dood. Samen excelleerden Westbroek en Petrenko in het ijzingwekkende ‘Lorelei’ en Rilkes macabere ‘Sluitstuk’: groot is de dood.