Surinaamse zon

schildert met demente ouderen. Ze schrijft columns op basis van haar ervaringen. Deze week: de mooiste plaatjes in ons hoofd.

‘Hebben ze het licht nou weer uitgedaan?” Meneer S. zit met zijn armen over elkaar tegenover mij aan de eikenhouten tafel op de tweede etage. Hij heeft een wit-blauw gestreepte blouse aan. De bovenste knoop ontbreekt. De aderen op zijn handen vertellen verhalen van tientallen jaren terug en zijn ogen zijn gericht op een grote chroomkleurige cd-speler die achter mij staat. Zo eentje als wij vroeger ook thuis hadden. Daar werd Britney Spears, Rouicha, Alpha Blondy en Tupac op afgespeeld. Ik besef ineens hoe ik dat ding mis. Uit deze cd-speler klinkt Manuel Ausensi. Melodramatisch en rustgevend. Misschien ook dodelijk, want de narcissen in de vaas naast de speaker hangen er treurig bij. Morsdood.

„Het is inderdaad behoorlijk donker hier,” antwoord ik. De dienstdoende verzorger leunt tegen het keukenaanrecht achter in de ruimte en werpt me een speelse blik toe. „Dat wordt een beetje moeilijk schilderen hé?”

„Nee hoor,” zeg ik. De speelse blik is nu vragend. „We kunnen ons ook schilderijen inbeelden. De mooiste plaatjes maken. Allemaal in ons hoofd.”

Ik kijk naar meneer S. die in zijn borstzak tast naar een verfrommeld zakdoekje. „Meneer S.?”

De oude man wendt zijn gezicht nu mijn kant op. Manuel Ausensi klinkt inmiddels gepijnigd. Alsof hij is bedrogen door z’n geliefde. Met z’n beste vriend.

„Hoe zag het bergland in Suriname er ook alweer uit?” Er verschijnt meteen een glimlach op het gezicht van meneer S..

„Weelderig en fier,” antwoordt hij. „En de zon schijnt er. Elke dag.”

Hij brengt het zakdoekje naar zijn neus. Het geluid dat volgt overstemt Manuel Ausensi’s gejammer. Volledig. Meneer S. gaat verder. „Daar doen ze het licht niet zomaar uit. Een heldere zon aan de hemel.”

De twinkeling in zijn ogen is warm. Ik ben nooit in Suriname geweest, maar ik heb de Surinaamse zon gezien. In de ogen van meneer S..

„Ach, de stroom is vast weer uitgevallen, dat gebeurt weleens,” zeg ik.

„Dat geloof ik niet hoor. Ik denk dat hij het doet,” zegt de oude man terwijl hij wijst richting de verzorger. „Onbeschoft,” voegt hij eraan toe. „Ze doen hier waar ze zin in hebben!”

De verzorger loopt naar meneer S. toe. „Het is tijd voor uw boterham, meneer.” Hij trekt zijn rolstoel van de tafel vandaan en rijdt hem richting de eetkamer. „Ja ja, het is ook altijd mijn schuld hé?” hoor ik de verzorger nog zeggen als ze de gang in verdwijnen.

Meneer S. is al jaren blind.

Om de privacy van betrokken ouderen te respecteren, zijn herkenbare details aangepast.