Spoed? Rij maar naar een ander ziekenhuis

Acute zorg Ziekenhuizen reguleren drukte op spoedafdelingen met ‘patiëntenstops’. Maar is dat nog aanvaardbaar als het duizenden keren per jaar gebeurt?

Illustratie Fokke Gerritsma

Op de gang van de spoedeisende hulp ligt een patiënt op een brancard, ambulancepersoneel aan zijn zijde. Ze wachten. Alle behandelkamers zijn bezet. En dan wachten er al vijftien mensen tot elders in het ziekenhuis een bed voor hen is gevonden. Zo beschrijft Michiel Gorzeman, hoofd van de unit Spoedzorg van het OLVG in Amsterdam, het moment dat hij een time-out inlast. „Tegen het ambulanceteam zeggen we dan: rij door naar een ander ziekenhuis als dat kan.”

Dit soort ‘stops’ worden steeds vaker geregistreerd. Alleen al in Noord-Holland en Flevoland waren er vorig jaar 5.600, gemiddeld vijftien stops per dag. Dat is ongeveer twee keer zoveel als in 2015. En toen al schreven Amsterdamse traumachirurgen en spoedeisendehulpartsen een brandbrief over die stops. „De rek is eruit”, stelden ze. „Tot nu toe is het steeds goed afgelopen, maar als er niets verandert, gaat het een keer mis.”

Een stop betekent dat ambulances een spoedafdeling zoveel mogelijk ontzien, vaak voor twee uur. Dat gaat dan om de spoedeisende hulp, eerste harthulp en hartbewaking, CT trombolyse (bij acute problemen met bloedvaten) en de SEH-onderdelen traumakamers (voor patiënten die bijvoorbeeld na een ongeluk snel onderzocht moeten worden). Alleen mensen in direct levensgevaar – door bijvoorbeeld een hersenbloeding of hartinfarct – krijgen dan nog plek, zo is afgesproken.

De drukte op spoedafdelingen is bekend in Den Haag. In 2016 schreef toenmalig minister Edith Schippers (Volksgezondheid, VVD) naar aanleiding van de brandbrief het probleem „zeer serieus” te nemen. „Zorgverlening moest juist hier [acute zorg] soepel en snel kunnen verlopen.” Ze kwam met een actieplan dat voorzag in onder meer budget voor extra ambulances. Minister Bruno Bruins (Medische Zorg, VVD) zet de lijn van Schippers voort. Hij noemde het in een Kamerbrief „cruciaal” dat een patiënt in de acute zorg „tijdig op de juiste plek terecht kan”.

Personeelstekort

Maar de praktijk is weerbarstig gebleken. „Als het makkelijk op te lossen was, hadden we dat al gedaan”, zegt Michiel Gorzeman van het OLVG. „Er zijn heel veel factoren die zorgen voor de drukte op spoedzorg. Personeelstekort is het grootste probleem. Als een afdeling vol is, wordt vooral bedoeld dat er geen bedden meer zijn met een verpleegkundige erbij.”

Landelijke cijfers over het aantal stops in de acute zorg zijn er niet. Niet alle regionale samenwerkingsverbanden registreren ze, sommige doen dat pas kort of niet consequent genoeg. Maar dát de druk op spoedzorg toeneemt, bevestigt Ernst Kuipers, voorzitter van het Landelijk Netwerk Acute Zorg.

Het fenomeen speelt vooral in de Randstad, maar daarbuiten komen zeker ook stops voor. Groningen en Drenthe hebben er in toenemende mate mee te maken, zegt Suzanne Kruizinga, bestuurslid van het Wilhelmina Ziekenhuis Assen. „Je probeert het te voorkomen, maar wij kunnen soms niet anders dan een time-out melden. En dan komt het voor dat je te horen krijgt: wat is dit voor ongein, andere ziekenhuizen hebben ook een time-out.”

De regio Midden-Nederland registreert alleen stops op de spoedeisende hulp consequent: jaarlijks rond de zeshonderd.

In Zeeland en Twente is afgesproken dat stops uit den boze zijn, al kan het ook daar druk zijn. Zelfs voor een gebroken been kan een patiënt altijd terecht. Het volgende ziekenhuis is simpelweg te ver rijden.

Amsterdam registreert de meeste stops. 20 procent van de tijd – opgeteld zes dagen in de maand – is er in de stad bij wel één van de posten voor spoedeisende hulp een stop. Incidenteel komt het zelfs voor dat de helft van de zes spoedeisendehulpafdelingen een time-out heeft.

Amsterdamse ziekenhuizen kunnen het zich veroorloven een spoedafdeling te sluiten, omdat er altijd nog andere in de stad zijn. Als een op de wallen gevonden, stomdronken toerist niet in het nabije OLVG terecht kan, kan-ie altijd nog naar het Amsterdam UMC in Zuidoost worden gebracht.

Een aantal ziekenhuizen heeft inmiddels gezamenlijk criteria afgesproken om een spoedeisende hulp te sluiten. Experts juichen de samenwerking toe, maar wijzen er tegelijk op dat die de oorzaken niet wegneemt. Gorzeman: „Ziekenhuizen kunnen nu ergens mee sturen als de werkdruk heel hoog is. Maar stops zijn symptoombestrijding, geen oplossing.”

Griepepidemieën

Als Prabath Nanayakkara, hoogleraar acute interne geneeskunde en hoofd acute zorg bij Amsterdam UMC (locatie VUmc), zijn spoedeisende hulp ziet vollopen, weet hij: „Ah, er is weer een afdeling bij een ander ziekenhuis dicht.” Zorgelijk, vindt hij. Het komt voor dat een patiënt in een spoedsituatie niet in het ziekenhuis terecht kan waar hij juist uitgebreid is behandeld. „Dan komt de kwaliteit van zorg echt in gevaar.”

De problemen op spoedafdelingen zijn het ergst tijdens griepepidemieën. Vorige winter was het heftig: dan zijn er niet alleen veel patiënten, maar valt ook veel personeel uit. Dat maakt het lastig roosters rond te krijgen.

Nóg lastiger, moet je zeggen. Want bijna elk ziekenhuis heeft al een tekort aan artsen en verpleegkundigen voor de spoedeisende hulp, zegt David Baden, bestuurslid van de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen.

Hij ziet dat verpleegkundigen door de drukte met hun vak stoppen. „Hoe drukker het is, hoe minder aandacht voor de patiënt en hoe groter de kans op fouten.”

Bovendien, zegt Baden, „wil je niet dat mensen in een situatie die minder spoed vereist drie à vier uur met pijn in de wachtkamer moeten zitten. Zij worden soms grof richting het personeel”.

Naast een tekort aan personeel leggen ook vergrijzing en bezuinigingen op verzorgingshuizen extra druk op spoedafdelingen. Het aantal ouderen dat op de spoedeisende hulp komt, stijgt van 2016 tot 2025 met gemiddeld 3,8 procent per jaar, becijferde gezondheidsinstituut RIVM.

Nanayakkara ziet ouderen vaak op de spoedeisende hulp belanden als ze een paar dagen niet in de gaten zijn gehouden door mantelzorgers of hun omgeving. „Bij een gezond iemand loopt iets als een longinfectie met een sisser af. Maar ouderen hebben weinig reserve.”

De oudere patiënt vraagt meer tijd van een ziekenhuis. Nanayakkara: „Ze gebruiken meer medicatie en hebben gemiddeld meer dan vier ziekten of andere problemen. Het is moeilijker te achterhalen wat er precies aan de hand is, en specialisten van verschillende disciplines zijn vaak niet meteen beschikbaar. Het komt regelmatig voor dat wij vijftien tot twintig ziekenhuizen moeten bellen voordat wij ergens een bed vinden om bijvoorbeeld een oudere patiënt met een heupfractuur op te nemen.”

Te gezond voor het ziekenhuis

Het kabinetsbeleid dat nastreeft ouderen langer thuis te laten wonen, hindert ook de uitstroom van patiënten. Het komt geregeld voor dat oudere patiënten eigenlijk te gezond zijn voor het ziekenhuis, maar nog niet goed genoeg om weer naar huis te gaan. Een plek voor hen vinden in een verpleeghuis is tijdrovend; het gebeurt dat patiënten 24 uur op de spoedeisende hulp moeten wachten voor ze naar een andere afdeling kunnen. Nanayakkara: „Spoedeisende hulpen zijn alleen ingericht om patiënten te stabiliseren en een diagnose te stellen. Het is niet goed voor mensen om de hele nacht op een hard brancardbed te liggen.”

Het VUmc werkt daarom met een ‘transferafdeling’. Patiënten die geen ingewikkelde medische zorg nodig hebben, worden er vanaf een spoedafdeling zo in hun bed naar binnen gereden. Ouderen kunnen er maximaal zes weken terecht. De een sterkt aan voor thuis, de ander wacht op een plek in een verpleeghuis of revalidatiekliniek.

Ook het Netwerk Acute Zorg Noordwest (Flevoland en Noord-Holland) werkt aan oplossingen. Zo is er het project ‘Zuinig met spoed’, om ouders van jonge kinderen uit te leggen wanneer sprake is van spoed en wanneer niet.

In afzonderlijke ziekenhuizen lopen ook projecten om drukte beter te kunnen opvangen. Anesthesioloog Bart Geerts in het AMC onderzoekt bijvoorbeeld of drukte op de spoedeisende hulp misschien te voorspellen is met data-analyse. Hij rekent met factoren als het weer, evenementen, bevolkingsdichtheid, inkomen, luchtdruk en tientallen andere variabelen. De eerste resultaten van die proef zijn veelbelovend. Maar dat lost de grote toestroom naar spoedafdelingen niet op.