Opinie

    • Menno Tamminga

Kan optimisme uw pensioen nog redden?

Menno Tamminga

Het favoriete boek in de pensioenwereld is een boek dat niet over pensioenen gaat. Het boek gaat over meer dan honderd jaar beleggingsrendementen. Saai? Niet als u spaart voor een aanvullend pensioen bovenop de AOW, of als u gepensioneerd bent en een uitkering krijgt van uw pensioenfonds. U bent samen met meer dan tien miljoen Nederlanders.

Triumph of the optimists heet dat boek. De optimisten zijn de langetermijnbeleggers, die hogere rendementen weten te behalen doordat ze over langere periodes bijvoorbeeld in aandelen blijven beleggen. Dat zijn de opbrengsten die u nodig hebt voor uw oude dag.

Dat optimisme is niet de stemming na het pensioen- en AOW-akkoord dat kabinet, werkgevers en vakbonden vorige week hebben gesloten. Het debat gaat over de ‘koopkrachtplaatjes’. Of de babyboomers niet weer worden gematst, omdat zij de leden van de vakbond zijn die over de pensioenen onderhandelt. Hoe de 40-pluswerknemers gecompenseerd worden nu zij een deel van hun pensioengroei mislopen omdat de premies evenwichtiger worden. Jongeren betalen die pensioengroei niet langer. En welke generaties wel of niet de klos zijn. (Volledige openheid: mijn geboortejaar is 1957.)

Maar hoe belangrijk zijn die pensioenpremies eigenlijk? Drie cijfers. Vorig jaar betaalden werkgevers en werknemers samen 33 miljard euro premies, waarvan, zo is mijn vuistregel, de werkgevers tweederde voor hun rekening namen.

Getal twee zijn de beleggingen. De gezamenlijke pensioenfondsen hadden eind 2018 ruim 1.300 miljard euro beleggingen. Het derde cijfer is het rendement. Ga, voor het gemak, uit van het rendement dat de Belastingdienst veronderstelt op uw spaargeld en beleggingen van 4 à 5 procent. Bij 4 procent is de opbrengst 52 miljard euro. Dat is bijna het dubbele van de jaarlijks inleg van premies en bijna het vijfvoudige van de inleg van de werknemers.

De pensioenfondsen doen het nog beter. De OESO, een denktank van rijke landen, becijferde het rendement ná inflatie over een periode van vijftien jaar met crash en beurshausse op meer dan 5 procent per jaar gemiddeld. Bij de huidige beleggingen: 65 miljard euro.

Anders gezegd: het debat gaat over premies en compensatie. Maar de rendementen maken op lange termijn het verschil tussen het Zwitserlevengevoel en de voedselbank.

Hoe ziet het beleggingsbeleid eruit in dat nieuwe pensioenstelsel dat nu in de maak is? Kunnen (of moeten?) de pensioenfondsen dezelfde risico’s nemen als nu, of meer, om hogere rendementen te boeken zodat iedereen straks meer geld te besteden heeft? Of worden ze conservatiever en maken ze juist minder rendement, omdat ze straks geen grote buffers meer hoeven te hebben? En worden hun deelnemers dus kwetsbaarder voor tegenslagen?

Helaas, het antwoord is vaag. In zijn brief aan de Tweede Kamer over de vernieuwing van de pensioenen rept minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) van maatwerk. Mijn interpretatie is: dat kan betekenen dat het beleggingsbeleid meer wordt geënt op de vergrijzende bevolking: minder risico, minder rendement.

Dat zou jammer zijn. Juist de extra kans op een hoger pensioen is de worst die Nederlanders wordt voorgehouden om de stelselwijziging te steunen. Het kabinet, de werkgevers en de vakbonden brengen een boodschap van optimisme. Maar dan moet er wel genoeg bewegingsruimte zijn, zodat de optimisten kunnen triomferen met aantrekkelijke rendementen.

Menno Tamminga schrijft op deze plaats elke dinsdag over ondernemingsbeleid en economie.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.