Recensie

Recensie Theater

Het antwoord op Puccini’s vergissing komt uit Perzië

World Opera Lab maakte een boeiende remake van Puccini’s Turandot, gebaseerd op de oorspronkelijke Perzische bron en met nieuwe muziek.

Foto Nichon Glerum
    • Joep Stapel

De hardvochtige Chinese prinses Turandot uit Puccini’s gelijknamige opera kwam helemaal niet uit China: haar verhaal is opgetekend in een twaalfde-eeuws Perzisch epos. Regisseur Miranda Lakerveld van World Opera Lab verplaatste de handeling daarom terug naar Perzië en vroeg de Iraans-Nederlandse componiste Aftab Darvishi om de muziek te schrijven, in het verlengde van hun eerdere samenwerking in de ‘afro-arabische barokopera’ Het offer (2017). Het resultaat, Turan Dokht, verbindt die poëtische oerbron met Puccini én Iraanse volksmuziek. De première was in februari in Teheran – een politiek-logistieke tour de force in een land waar de bloeiende operacultuur sinds de Islamitische Revolutie om zeep is geholpen. Woensdag was Turan Dokht voor het eerst in Nederland te zien.

Turan Dokht betekent ‘dochter van Turan’, een generieke naam voor prinsessen uit Centraal-Azië. Mezzo Ekaterina Levental (geboren in Oezbekistan, midden in historisch Turan) had in de titelrol wat weinig ruimte om te schitteren. De flarden Puccini waren weelderige maar schaarse bloemen in Davishi’s tuin. De volksliedjes die ze had geïncorporeerd werkten heel goed, evenals de wisselwerking tussen kamanche (vedel) en Iraans slagwerk enerzijds en anderzijds het wat monochrome ensemble Nilper Orchestra uit Iran. Het tekstuele spel met Puccini’s opera was erg boeiend. Gloedvolle woorden van Turandots vader, de vermoeide pretendentenbeul en zelfs de opofferingsgezinde slavin Liù kwamen nu uit de mond van Turan Dokht zelf, die daardoor een veel gelaagder personage werd.

Zeven prinsessen

In het Perzische epos (Haft Peykar, De zeven schoonheden) blijkt Turan Dokht een Russische prinses, die haar toevlucht heeft gezocht op een oosterse berg, waar ze minnaars vanwege een eed op afstand houdt met raadsels en guillotinerende automatons. Ze is een van zeven prinsessen uit zeven continenten die hun verhaal doen aan een naamloze prins, die zijn koninkrijk is kwijtgeraakt en probeert het kosmische evenwicht te herstellen. Dat hangt samen met de zeven planeten, de zeven dagen van de week en de zeven kleuren. Karlheinz Stockhausen, de numerologisch angehauchte avant-garde-mysticus wiens aus LICHT deze week nog te zien is in het Holland Festival, had het kunnen waarderen.

Lakervelds ambitie om de Haft Peykar-raamvertelling in ere te herstellen is lovenswaardig, maar als operalibretto bleef deze materie te abstract. Het kán op zich wel (zie Stockhausen), mits muziek en enscenering de hele dramaturgische last kunnen dragen. Dat was bij Turan Dokht niet steeds het geval.

De voorstelling zag er prachtig uit, met geometrische projectievlakken die het kleurenspectrum accentueren. Darvishi’s muziek kende mooie momenten, maar de mix van opera en rite greep net niet overtuigend in elkaar en bleef daardoor te vaak schematisch. De sympathiefactor was niettemin zeer hoog, ook bij de onbekende prins (bariton Arash Roozbehi) en het trio zangeressen van het Grieks koor, dat oprecht blij leek toen de liefde overwon.