EU garandeert niet meer dan minimumvakantie

Economie en recht Deze rubriek belicht elke woensdag kwesties uit het bedrijfsleven waarover de rechter zich onlangs uitsprak. Deze week Europees recht.

Foto ANP

De Finse havenwerker Tapio Keränen had volgens zijn cao in 2016 recht op dertig vakantiedagen. Tijdens een vakantie werd hij zes dagen ziek. Zijn werkgever, Kemi Shipping, weigerde deze zes dagen over te boeken naar zijn vakantietegoed. Gesteund door zijn vakbond klaagde Keränen het bedrijf aan omdat dit Europese sociale rechten zou schenden. Hij eiste volledige compensatie van zijn ziektedagen. De Finse rechter legde het geschil voor aan het Europees Hof met de vraag hoe ver het recht op vakantie in de EU reikt.

In zijn advies van vorige week aan het Hof wijst advocaat-generaal Yves Bot erop dat werknemers in de EU recht hebben op ten minste vier weken vakantie met behoud van loon per jaar. In de Finse wetgeving is dat omgezet in minimaal 24 dagen. Daarnaast is, aldus Bot, in Europees verband vastgelegd dat werknemers hun vakantie later mogen opnemen wanneer deze samenvalt met een periode van ziekte. Tezamen vormt dit de „harde kern van de minimumbescherming”, aldus Bot. In nationale regelingen of cao’s kunnen over het opbouwen of vervallen van vakantiedagen aanvullende afspraken worden gemaakt. Maar als die, zoals in Keränens cao, niet voorzien in volledige compensatie van vakantiedagen die door ziekte verloren gaan, dan kan uit de Europese sociale regels geen recht op vakantie worden afgeleid dat de minimumduur te boven gaat. Na aftrek van zijn zes ziektedagen hield Keränen nog 24 vakantiedagen over, precies het minimum. Kemi Shipping mocht volgens Bot daarom weigeren de zes dagen die Keränen tijdens zijn vakantie ziek was terug te geven als vakantiedagen. Het advies van Bot weegt zwaar, maar bindt het Hof niet. Dat doet deze zomer uitspraak.

Advies: ECLI:EU:C:2019:459