Een op de vijf werknemers in de bouw komt uit buitenland

Door krapte op de arbeidsmarkt zijn werknemers uit landen als Polen, Hongarije en Bulgarije in trek bij bouwbedrijven en aannemers.

Naar schatting komt een vijfde van de werknemers in de bouw uit het buitenland.
Naar schatting komt een vijfde van de werknemers in de bouw uit het buitenland. Foto Roos Koole/ANP

Het aantal buitenlandse arbeidskrachten in de bouw is tussen 2015 en 2017 met 20 procent toegenomen tot 41.000. Daarmee komt inmiddels een op de vijf arbeidskrachten uit het buitenland. Dat blijkt uit een dinsdag gepubliceerde studie van het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB), waarin voor het eerst een dergelijk totaaloverzicht is gemaakt.

Sinds de intrede van een aantal Oost-Europese landen in 2004 in de Europese Unie, zijn vooral veel tijdelijke werknemers uit Polen in de Nederlandse bouwsector komen werken. Sinds 2014 is ook het aantal Bulgaren en Roemenen toegenomen. Als de trend doorzet, werken er in 2020 mogelijk 53.000 buitenlandse arbeidskrachten in de bouw.

Bijna driekwart van de bedrijven geeft aan dat de ruime beschikbaarheid van buitenlandse werknemers de belangrijkste reden is om buitenlands personeel aan te nemen. Dat geldt vooral voor de grotere bedrijven die grote projecten aannemen, omdat zij soms op korte termijn veel werknemers nodig hebben. De flexibiliteit van buitenlandse werknemers is voor bouwbedrijven ook een voordeel. Zij kunnen makkelijker dichtbij het project worden gehuisvest en maken dan ook meer uren.

Lees ook: Hoe krijg je er snel een miljoen woningen bij als de bouwvakkers op zijn?

De tarieven van buitenlandse zzp’ers zijn iets lager dan die van Nederlandse, gemiddeld tussen de 32 en 38 euro per uur. De lagere kosten worden als derde reden aangevoerd om buitenlands personeel aan te nemen.

Taal kan veiligheidsrisico’s opleveren

De EIB wijst erop dat de communicatie op de bouwplaats soms nog te wensen overlaat en voor problemen kan zorgen. Veel buitenlandse werknemers spreken niet of nauwelijks Nederlands. „Dat kan risico’s opleveren voor de veiligheid en staat efficiëntie van het werken in de weg”, aldus het rapport. De kennis van de Engelse taal van zowel Nederlandse als buitenlandse werknemers is vaak ook niet goed genoeg om een technisch gesprek te kunnen voeren.

Taalproblemen kunnen volgens het EIB verholpen worden door het aanwijzen van een voorman- of vrouw die de taal wel spreekt en het vertalen van veiligheidsvoorschriften.