André Hissink: ‘Ik dacht: dit neem ik niet. Dit moet ik wraken.’

Foto Frank Ruiter

‘Je kon beter piloot zijn dan vechten op dat D-Day-strand’

D-Day-veteraan André Hissink is een van de allerlaatste Nederlandse getuigen van D-Day. „Wat ik van Eisenhowers speech onthouden heb, is: we gaan naar de Franse kust, we winnen de oorlog.”

Op 26 juni wordt André Hissink 100. Hij woont in Canada, in een retirement home in Perth. Maar hij is Nederlander, geboren in Batavia. De lagere school deed hij in Bussum, de hbs in Bergen op Zoom, hij was rechtenstudent in Utrecht. Hij is nu in Amsterdam, waar hij logeert bij familie. Hij is een van de weinige Nederlandse, en een van de allerlaatste getuigen van D-Day, de geallieerde bestorming van de Normandische kust op 6 juni 1944. Met zijn bommenwerper Mitchell B-25 bood hij luchtsteun aan de „zwoegende troepen” op zee, het strand en in de duinen. „Het was zaak zoveel mogelijk Duitse strong points te bombarderen. Bunkers, bruggen, loopgraven. Alles.”

„Ik was derdejaars, augustus 1939, toen ik me per direct moest melden voor de militaire dienst. Die mobilisatiesergeant vroeg: ‘Waar wil je heen? De landmacht? Ik had de beelden van de Eerste Wereldoorlog voor ogen. Loopgraven, modder, rotzooi. Dat nooit. ‘De marine dan?’ Dat wilde ik ook niet. Een bom op je schip en je drijft in je eentje in de oceaan. Ik zei: ‘Ik wil vliegen.’

In een vliegtuig had hij nooit gezeten. „Nee, nooit. Ik bouwde als jongen modelvliegtuigjes, dat interesseerde mij. De sergeant verklaarde me voor gek: ‘Als je vliegtuig in de fik vliegt, ben je er geweest.’ Daarom juist. Als je geraakt wordt in de lucht ben je dood, of op z’n minst halfdood. Beter dan zwaargewond of kreupel. Zo heb ik het altijd bekeken.”

Hij was gestationeerd in Rotterdam, begon net aan zijn opleiding tot sergeant, toen Duitsland Nederland aanviel, 10 mei 1940. „Wij werden de stad ingestuurd. Restaurant Pschorr aan het Hofplein had een plat dak, vanaf daar konden we de Coolsingel over zien en op gespuis schieten. Doel raken was nog verdomde lastig, onze geweren hadden sinds de Eerste Wereldoorlog in het vet gelegen en de lopen waren niet meer zo goed.”

„Eenmaal daags riep de eigenaar ons naar beneden om te eten. Biefstuk, appelmoes, gebakken aardappelen. Dat is het eerste wat ik heb gegeten toen ik na de oorlog voor het eerst weer in Holland was. Op het terras van het hotel Americain in Amsterdam. Biefstuk, gebakken aardappelen, appelmoes.”

Het bombardement

Het werd 14 mei. De Duitsers bombardeerden Rotterdam. „Wij scholen in de Maastunnel die destijds gegraven werd, we lagen in de monding. Na een flinke tijd kwamen we tevoorschijn. Zoiets had ik nog nooit gezien. De hele zaak in de fik. Rookwolken tot boven de huizen. Later, in mijn vliegopleiding, leerde ik dat zoiets inversie heet. Hete lucht raakt koude lucht en verspreidt zich als een deken in de lucht. Ik dacht: dit neem ik niet. Dit moet ik wreken.”

Bekijk ook de beeldserie: 75 jaar na D-Day: dit zijn de mannen die in Normandië vochten

In de chaos van het bombardement was het contact met de legerleiding verbroken. „Onze officieren opperden naar Hoek van Holland te gaan, waar Engelse troepen gestationeerd waren. Zo gezegd, zo gedaan. In Vlaardingen pauzeerden we even. Bakkers brachten ons krentenbollen, beetje boter erbij, burgers brachten ons koffie. Wij vervolgden ons pad, tot we werden ingeseind dat er was gecapituleerd. Opperbevelhebber Winkelman had verordonneerd: wapens neerleggen, niet doorvechten.

De meeste jongens uit mijn groep, veelal boerenjongens, wilden naar moe en de koe. Drie van ons zeiden: ben je belazerd, barst maar met die capitulatie en we zijn weggerend. Al onze ballast smeten we in de sloot, geweren, de gordel met ammunitie, helm erachter aan, dat ding is zo zwaar op je kop. We hielden een auto aan. Bleken er twee Joodse vaandrigs op de vlucht in te zitten en drie van onze mensen die van mening waren veranderd en ook naar de kust wilden. Wij sprongen op de treeplank, klemden ons vast aan het raamportier, met een rotgang naar de haven. Kwamen we daar, en toen was het: now what? Aan de kade lag een Engels oorlogsschip aangemeerd. Een paar uur na de overgave zaten wij dus al aan boord van een Engels schip, de dag erna waren we in Dover. Alle Engelandvaarders na ons moesten in bootjes de zee over, sommigen zelfs zwemmend. Wij hebben gezwijnd.”

Zeep

In Londen kregen de zes Hollanders ieder 2 pond om te verteren. „De Engelsen zeiden: jullie stinken. Dat klopte, want we hadden in drie maanden geen schoon ondergoed of sokken gekregen. Ze gaven ons zeep, een handdoek, schone kleren. Alleen ons uniform, dat moesten we blijven dragen.”

Het groepje van zes werd geplaatst bij leerlingvliegers in Zuid-Engeland. „Vliegscholen uit Haamstede en Vlissingen smokkelden lesvliegtuigen via Frankrijk naar Engeland. Al met al een stuk of veertien. Geen gevechtsvliegtuigen, maar kleine Fokkertjes, om het in te leren.” De Nederlandse regering, die lucht kreeg van het groepje Nederlandse militairen overzee, stationeerde hen in Nederlands-Indië, voor hun verdere vliegopleiding. „Mijn ouders, die in België woonden, waren direct na de capitulatie gevlucht. Naar Nederlands-Indië. Dus ik kom na maanden zonder enig contact met het thuisfront aan op Soerabaja, wie staat er voor mijn neus? Mijn vader.”

Japan viel Indonesië aan, begin 1942. De leerlingvliegers werden geëvacueerd naar Australië, daarna verbleven ze voor bijscholing acht maanden in Amerika, en uiteindelijk keerden ze terug in Engeland.

Lees ook: Hitler hield van Guernsey, Guernsey van Churchill

Hissink maakte deel uit van de Royal Air Force als lid van het 320ste squadron, dat uitsluitend uit Nederlanders bestond, maar onder Brits bevel opereerde. Hij werd piloot op de North American Mitchell B-25, een bommenwerper. „Ik moest nog oefenen op hoe je het beste bommen kon gooien. Je denkt, een schip bombardeer je van kop tot staart. Maar je moet nooit in een rechte lijn vliegen, dan loop je risico dat ze er allemaal naast gaan. Je moet schuin. Bij bruggen doe je het net zo.”

Hij herinnert zich dat generaal Eisenhower, de Amerikaanse opperbevelhebber van de geallieerde strijdkrachten, de Britse troepen toe kwam spreken. Een speech van twee uur. „Wat ik ervan onthouden heb, is: we gaan naar de Franse kust, we winnen de oorlog. Good luck. We wisten dát we zouden gaan, alleen niet wanneer.”

Vijand

De aanval zou op 5 juni 1944 beginnen, het werd een dag later wegens het ruwe weer. „Mijn taak was: doelen in Frankrijk bombarderen.” Twee, drie uur vliegen op 11.000 voet, drieduizend meter. „Ik vloog de oorlog in, en daarna weer terug naar de vrede in Engeland. Lekker makkelijk, zeg je misschien. Maar onderschat niet de spanning waaronder je leeft als je vijandig gebied invliegt.

Zodra de vijand je hoorde naderen, begonnen ze te schieten. De eerste schoten waren zo ver, dat kon geen kwaad. Dat noemden we geld verpesten. Hoe dichter je naderde, hoe dichterbij de salvo’s. Alsof je door een gordijn moest. Na een paar vluchten begreep ik dat je alleen echt risico loopt als je het vlammetje van de granaat kan zien.” Bommen droppen en terug. „Als je toestel niet te zwaar beschadigd was, werd je weer opgeladen en ging je nog een keer. Zoveel mogelijk moest kapot.”

Wroeging had Hissink niet.

„Helemaal niet. Infrastructuur die de Duitsers van pas kwam, moest plat. Het enige wat ik vreesde was dat ik Franse of Belgische burgers raakte. Er zullen er vast gewond zijn geraakt door ons. Bezittingen vernield. Maar ja, het was oorlog. We stonden er verder niet bij stil.”

Van bovenaf zag hij de geallieerde bestorming van het Normandische strand. „Het was zwoegen. Met hun geweer boven hun hoofd waadden die knapen vanaf de boot het laatste stuk door zee. Geweren boven hun hoofd. Duitsers in de duinen schoten op ze, machinegeweren gingen van links naar rechts. Het was kielekiele die eerste dagen. Velen hebben het gehaald, velen zijn gesneuveld.”

Hij zag bevestigd wat hij als dienstplichtige van twintig voorzag: „Vliegen in de oorlog is de beste keuze.”

Na de oorlog bleef Hissink, „zeer” tegen zijn zin, nog drie jaar bij de Nederlandse marine. Zijn rechtenstudie heeft hij nooit meer afgemaakt, hij bleef in de luchtvaart werken. Voor KLM in Zwitserland, als operation officer in Nieuw-Zeeland en, tot zijn pensioen, bij het navigatiebureau voor de burgerluchtvaart bij de Verenigde Naties in Montreal. Zijn Britse echtgenote overleed in 2007, hij heeft een zoon en twee dochters.

Vijf jaar geleden, toen gevierd werd dat D-day zeventig jaar geleden was, werd hij als veteraan ‘ontdekt’ door de Nederlandse krijgsmacht. Sindsdien heeft hij een ereplaats bij de jaarlijkse herdenkingen.

Correctie (9 juni 2019): in een eerdere versie van dit artikel stond het nummer van het squadron verkeerd. Dit is aangepast.