Recensie

Recensie Boeken

Eindelijk begreep ik wat Marieke Lucas Rijneveld doet in haar poëzie

Marieke Lucas Rijneveld In de bundel Fantoommerrie stapelt C. Buddingh’-prijswinnaar Rijneveld weer beeld op beeld, in een dwingende stroom. Ze zijn voorgeprogrammeerd om ervaren te worden.

Marieke Lucas Rijneveld op het Boekenbal 2019.
Marieke Lucas Rijneveld op het Boekenbal 2019.
    • Obe Alkema

Mijn eerste gedachte was: is dit wel Fantoommerrie? De gedichten in Marieke Lucas Rijnevelds tweede bundel zijn net zo lang en breed opgezet als in haar debuut Kalfsvlies. Het déjà vu hield aan, want ook de afzonderlijke gedichten in Fantoommerrie zijn volgens beproefd recept opgebouwd.

Schijnbaar achteloos opent zij elk gedicht met een prikkelend beeld of een spitsvondige formulering, vaak een combinatie van die twee, waarmee zij haar lezer midden in haar verbeeldingswereld dropt: ‘Verlies als ezelsoren in de lakens vouwen en steeds weer het dekbed als / dagboekfragment openslaan, net als toen gaan ze iemand van je losmaken / als de waslaag van honingraten’.

Ook het verloop is hetzelfde: in lange, ritmisch soepele zinnen schakelt Rijneveld beelden, vergelijkingen, herinnering, anekdotes en persoonlijke ontboezemingen aaneen. Tezamen laten ze van een handvol thema’s – trauma, verlies, rouw en verlangen – telkens een ander facet zien: schurende familierelaties, hortende en aandoenlijke intimiteit, gebroken huiselijke taferelen, ruige en tedere natuur, overdonderende en verwarrende liefde. Samengevat in: ‘Dit heb ik nooit / geweten: dat het leven vergelijkbaar is met een akker / omploegen zonder tractorrijbewijs.’

Cirkelende beweging

Je moet niet op flapteksten afgaan, maar in dit geval is er geen ontkomen aan: de tekst staat op de eerste pagina, bij wijze van waarschuwingsbord. Deze zin eruit bleef hangen: ‘Je zou kunnen zeggen dat Fantoommerrie verder gaat waar Kalfsvlies was opgehouden, maar dat suggereert dat we met een vervolg te maken hebben, en dat is niet zo.’

Deze karakterisering deed me begrijpen wat Rijneveld eigenlijk doet in haar poëzie. Fantoommerrie bevat 51 gedichten, maar het lijkt juister te zeggen dat de bundel 51 variaties op hetzelfde gedicht kent, ook al kiest de dichter nieuwe situaties, andere indringende beelden of specifieke details. Het beproefde recept.

Er is geen sprake van een vervolg, omdat dat er simpelweg niet kan zijn. Beide bundels eindigen opvallend genoeg met een oudjaarsgedicht, de een in Kanaleneiland, de ander in Lombok. Rijneveld herhaalt tot op het obsessieve af dezelfde cirkelende beweging, omdat dat de enige manier is om haar grote thema’s te tackelen. Er kan (en mag?) niet rechttoe-rechtaan over gesproken worden. Vandaar die overdaad aan verbeelding: haar beelden en andere vondsten werken als bliksemafleider, net als het korset waarin Rijneveld haar prozagedichten giet.

Die laten zich trouwens op identieke wijze lezen. De dichter gunt haar lezer weinig adempauze, als die linksboven begint en rechtsonder eindigt, omdat zij in haar lange zinnen beeld op beeld stapelt en snel doorschakelt. Dit geeft haar poëzie iets dwingends: het gedicht staat maar één lezing toe. Even halt houden bij een sprekend of storend detail of een metafoor die net niet helemaal te plaatsen is, is onmogelijk, omdat je dan uit het ritme en de energie van het gedicht valt. Je kunt in deze poëzie alleen maar lekker meedrijven op de stroom.

Vruchtenhagel

De poëzie van Rijneveld fascineert, niet zozeer door de details of vergelijkingen (‘Het bestaansrecht van vruchtenhagel wordt zelden // serieus genomen net als die van de tussenmens, zowel De Ruijterfabriek / als zij geeft geen rondleidingen wegens hygiëneoverwegingen, wel spreek- // beurt-informatiepakketten: we zijn allebei zoet en genderneutraal.’); evenmin door haar uit het lood geslagen personages. Die stugge vaderfiguur kennen we onderhand wel.

Het is het repetitieve van Rijnevelds poëzie dat mij bezighoudt, omdat dat iets vertelt over de manieren waarop trauma, verlies en rouw werken. Alleen staan deze concentrische gedichten zulke reflecties niet toe, omdat ze voorgeprogrammeerd zijn om ervaren te worden. Ze kunnen maar op één manier gelezen worden, namelijk door je erin onder te dompelen en je te laten grijpen door de schaduwen die erin samenscholen. ‘We mochten geen vragen stellen maar wel antwoorden bedenken’, schrijft Rijneveld in Kalfsvlies.

Hoewel die dwang de poëzie urgent maakt, zorgt die toch ook voor wrevel. Het benauwt me dat ik door deze gesloten poëzie in het gareel word gehouden en daardoor geen bewegingsvrijheid krijg. Ik kan Rijnevelds gedichten maar in kleine porties tot me nemen. Misschien is dat ook wel de bedoeling.