Recensie

Recensie Muziek

Regie van Py maakt van muzikaal fraaie ‘Pelléas’ een taai anti-sprookje

Holland Festival Voor het eerst in 25 jaar komt de Nationale Opera met een nieuwe productie van ‘Pelléas et Mélisande’. Muzikaal staat de voorstelling als een huis, maar een strenge, loodgrijze regie staat ontroering in de weg.

Elena Tsallagova als Mélisande in Debussy’s ‘Pelléas et Mélisande’, deze week voor het eerst sinds 1993 bij De Nationale Opera.
Elena Tsallagova als Mélisande in Debussy’s ‘Pelléas et Mélisande’, deze week voor het eerst sinds 1993 bij De Nationale Opera. Foto MATTHIAS BAUS
    • Mischa Spel

Voor De Nationale Opera is het de drukste week ooit: in de Gashouder staat nog tot en met maandag de zestienurige monsterproductie van Stockhausens Aus LICHT, in eigen theater wordt het seizoen afgesloten met Debussy’s Pelléas et Mélisande.

De voornaamste parallel: net als LICHT is Pelléas symboolzwanger, net als Stockhausen was Debussy een fijnproever, wellustig schilderend met orkestrale kleuren en timbres.

En toch is Pelléas et Mélisande, behalve een „emblematische opera” zoals operadirecteur Sophie de Lint na afloop van de première woensdag kenschetste, een lastige titel om allround goed te brengen.

Regisseur Olivier Py, van wie recent talrijke vaak geweldige voorstellingen te zien waren in onder meer Amsterdam en Brussel, heeft een gevoelige antenne voor duisternis, eenzaamheid en uitzichtloosheid. Je snapt direct waarom juist hij werd aangetrokken door en voor deze Pelléas (1902), de opera die geen klassieke opera is, over liefde die geen klassieke liefde is.

Wat dan wel? Een baanbrekend symbolistisch muziektheaterwerk zonder aria’s of duetten maar met een plot die, onder de oppervlakte, draait om menselijk tekortschieten in communicatie en de onfrisse kanten van vergankelijkheidsbesef. Personages worden omsluierd door de nevelen van hun voorgeschiedenis, hun verlangens en hun angsten. Waar de titelpersonages hun liefde tenslotte uitspreken en met de dood bekopen, is dat eerder een verlossing dan een straf.

Verlept veldboeket

Olivier Py en zijn decor- en kostuumontwerper Pierre André Weitz kozen ervoor het insinuerende karakter van verhaal en muziek complementair te voorzien van een mathematisch streng toneelbeeld en even gestileerde personenregie. Een onrustig changerend mecanoconstruct van stalen ladders, huisjes en steigers oogt consequent hard, kleurloos en geometrisch. Zelfs de belichting mijdt zachte tonen. Onder de schaarse rekwisieten is de dood leidmotief: broertje Yniold draagt een dodenmasker en uit zijn gefrustreerde vaderangst door in te hakken op en voodoopop. Schaarse kleurelementen - een verleppend veldboeket en een bloedbesmeurde man – valt evenmin enig fleurop-gevoel te verwijten.

Je snapt het concept: zoals liefde opbloeit onder onbereikbaarheid (ook in deze opera), zo ook kunnen klare lijnen een ambigue opera aanscherpen. Theoretisch. De praktijk blijkt weerbarstiger: het effect van Py’s benadering is dramatisch simpelweg looïig.

Zielvolle zang

Gelukkig is er de muziek en zijn er de zangers: een topcast zonder zwakke schakels en met geweldige lage stemmen als die van Peter Rose (grootvader Arkel) en Brian Mulligan (Golaud) en prima hoofdrollen van tenor Paul Appleby en sopraan Elena Tsallagova met haar passend ongenaakbare timbre. Dé ontdekking is mezzo Katia Ledoux, die beschikt over een zeldzaam, volstrekt eigen en zeer zielvol geluid.

In de bak zit het uitmuntende Koninklijk Concertgebouworkest, op de bok is Daniele Gatti vervangen door Stephane Dénève. Het klinkt allemaal fraai en zeer Frans; Dénève doseert de bedwelming en weet precies waar hij moet uitpakken, of subtiele parfumwolkjes mag verstuiven. Het mag soms best allemaal nog iets méér. Maar daarvoor resten nog zes voorstellingen.