Opinie

Inadequate bronvermelding is geen plagiaat

Wetenschap Het is tamelijk absurd om met de huidige norm iemand aan te klagen voor betwiste tekstfragmenten uit 1988, schrijft . Hij reageert op het onderzoek van NRC naar plagiaat van een oud-rector van de UvA.

Illustratie Gijs Kast

Er zijn twee gevaren bij wetenschappelijke en andere integriteitsproblemen: minimaliseren, bagatelliseren en verheimelijken van ernstige en grote normoverschrijdingen, en omgekeerd, kleine zaken heel groot maken, buiten proporties opblazen en in de publiciteit uitvergroten. Van dit laatste getuigt het artikel ‘Wie imiteert, valt door de mand’, van journalist Frank van Kolfschooten in NRC van 4 juni. Hij beschuldigt oud-rector magnificus Dymph van den Boom van plagiaat bij het uitspreken van openingstoespraken op verjaardagen van de universiteit, en in haar proefschrift uit 1988. Deze beschuldigingen vragen om een reactie. Gaat het hier om plagiaat? En wat zou de aanleiding kunnen zijn geweest om een proefschrift van dertig jaar geleden apart te onderzoeken?

Het artikel stelt zeer teleur qua gedegenheid van onderzoek en qua kennis van de geldende regels inzake wetenschappelijke integriteit. Om te beginnen bestonden er in 1988 geen bindende voorschriften hoe in wetenschappelijke publicaties naar bronnen verwezen moest worden. De parallel met andere integriteitsschendingen die lang geleden gepleegd zijn (fraude, valsheid in geschrifte, aanranding) gaat niet op: die vielen altijd al onder het Wetboek van Strafrecht. Voor plagiaat bestond in 1988 uitsluitend een civielrechtelijke actie van de geplagieerde zelf. Voor de wijze van bronvermelding in wetenschappelijke publicaties bestonden slechts aanbevelingen, zoals die van de American Psychological Association (APA 1981).

De eerste normering van ‘wetenschappelijke integriteit’ in Nederland kwam in 2001. Bindende algemene regels in Nederland voor publicaties van alle, aan Nederlandse universiteiten werkzame onderzoekers werden neergelegd in De Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening 2004, die op 1 januari 2005 van kracht werd. Klachten over schendingen van wetenschappelijke integriteit van vóór 2005 konden in beginsel niet worden behandeld, tenzij het om heel ernstige gedragingen ging. Naar aanleiding van de affaire-Stapel werd in het najaar van 2012 de verjaringstermijn voor klachten van 5 naar 10 jaar gebracht, met een uitzonderingsmogelijkheid voor fraudegevallen à la Stapel. Daarnaast kwam een extra bepaling over de wijze van bronvermelding, het ‘citeer-artikel 2012’. In oktober 2014 werd de Gedragscode weer aangevuld met een apart ‘zelfplagiaat-artikel’ naar aanleiding van de affaire-Nijkamp over ‘zelfplagiaat’. In 2014 werd, net als nu, een hooggeplaatst ex-bestuurder beschuldigd van het ‘overtreden’ van een niet-bestaande regel. Er ontstond hevige maatschappelijke verontwaardiging over de ex-bestuurder. In feite werd bij die beschuldiging een fundamenteel rechtsbeginsel veronachtzaamd: geen feit (‘handeling’) is strafbaar zonder een daaraan voorafgaande strafbepaling. Dit beginsel geldt ook in het bestuursrecht bij punitieve sancties, zoals ontslag, schorsing, berisping. Daar gaat het hier om.

Lees hier het artikel in NRC van dinsdag 4 juni: Hoe de oud-rector van de UvA plagieerde in speeches en proefschrift

Het is tamelijk absurd om met de normen van nu iemand voor een aantal betwiste tekstfragmenten uit 1988 aan te klagen. Men kon in 1988 geen regels overtreden die er niet waren. Van den Booms drie promotores, onder wie Kohnstamm, twee referenten en vijf leden van de promotiecommissie, hebben klaarblijkelijk geen enkel probleem gezien in de toen gebezigde bronvermeldingen. Wie het proefschrift bestudeert, ziet dat bij letterlijk overgenomen tekstfragmenten, soms vóór en soms ná een fragment, wél de namen van auteurs met publicatiejaartal genoemd worden en in de literatuurlijst zijn opgenomen. Die teksten werden niet tussen aanhalingstekens of in een apart tekstblok gezet, zoals de journalist wenst en de citeer-regel uit 2012 voorschrijft. Doordat in het proefschrift systematisch een bepaalde wijze van bronvermelding wordt gevolgd, werd die toen kennelijk zó aanvaard. Andermans veren worden niet toegeëigend (appropriation, hét kenmerk van plagiaat) omdat geen namen zijn weggelaten. Een naam geheel weglaten is plagiaat. Er wordt echter veelvuldig, na drie, zeven of zeventien of meer regels letterlijke tekst, op andermans veren gewezen. Dat was weliswaar summier: ter plekke door naamsvermelding en jaartal en achterin een uitgebreide literatuurlijst. Dat is thans inadequate bronvermelding. Dat maakt een belangrijk verschil. Inadequate bronvermelding wordt naar huidige maatstaven niet als schending van wetenschappelijke integriteit gekwalificeerd, maar als al of niet verwijtbare onzorgvuldigheid. Toch wordt dit in deze krant opgehoogd tot plagiaat.

Geen vaste verwijsconventies

NRC selecteerde één monnik uit het wetenschappelijke klooster van toen. Men heeft nagelaten ‘de gelijke kappen’ ook te onderzoeken, bijvoorbeeld door een voldoende groot aantal verdedigde proefschriften uit die periode eveneens te bestuderen om te zien welke zeer uiteenlopende bronvermeldingen toen aanvaard werden. Er waren nog geen vaste en voorgeschreven conventies, zoals uit biografisch-wetenschapshistorisch onderzoek van de twintigste eeuw direct opvalt. Men moet derhalve alert zijn bij de selectieve verontwaardiging jegens één proefschrift en één persoon. Dan is er meestal iets anders aan de hand.

De auteur vermeldt niet waarom hij zijn onderzoek heeft verricht. Dook de journalist „bij toeval” in een proefschrift uit 1988 en op de openingstoespraken van 2007-2017, zoals hij zei in de podcast NRC Vandaag van 4 juni? Hij deed toch niet zomaar een melding bij de Universiteit van Amsterdam van een vermoeden van integriteitsschendingen. De reden van zijn plotselinge ‘ontdekking’ van plagiaat blijft verborgen voor de lezers.

Beluister ook de podcast NRC Vandaag met Frank van Kolfschooten over de toespraken en het proefschrift van de oud-rector magnificus van de UvA

Bij een vermoeden van schending van wetenschappelijke integriteit staat voor elke hoogleraar en onderzoeker of voor wie dan ook, de gebruikelijke, eerlijke ‘klachtprocedure wetenschappelijke integriteit’ open, met vertrouwelijkheidseisen tot na afloop van de procedure. De premisse dat eenieder onschuldig is, totdat na grondig onderzoek vastgesteld is dat sprake is van schending van wetenschappelijke integriteit, werd in het geval van de oud-rector niet geëerbiedigd. De journalist deed een publiekelijke aanval op de eer en goede naam van de oud-rector van de UvA. Zoals steeds is het kwaad van deze publieke beschuldiging alweer geschied. I publish and you’ll perish.

De beschuldigingen over de openingstoespraken in periode 2007- 2017, vergen eveneens meer onderzoek. Ook hier is n=1 onderzoek gedaan. Desgevraagd zeiden twee rectores dat zij altijd hun speeches zelf schreven en nooit een naam vergeten te noemen. Is dat gecontroleerd op dezelfde wijze als bij de oud-rector? En bij andere bestuurders? Natuurlijk dienen alle bestuurders het goede voorbeeld te geven, maar dit maakt de selectieve verontwaardiging des te opvallender. Waarom deze ene persoon?

Zijn toespraken wetenschap?

Natuurlijk moet je ook in een toespraak heel kort melden van wie je een citaat of tekst of mooie regel overneemt. Maar mijn bezwaar ligt ergens anders. Het is een open vraag of een openingstoespraak als een ‘wetenschappelijke publicatie’ gezien moet worden. Die vraag is nog nooit aan de orde geweest. De academische huisregels zwijgen. Pas in 2014 werd bij de herziening van de Gedragscode in de preambule gesteld, dat de Code ook voor bestuurders geldt. Er werd toen geen gewag gemaakt dat bureaucratisch vervaardigde beleidstukken voortaan als ‘wetenschappelijke publicaties’ zouden gelden.

De rechtszekerheid van bestuurders, beleidsambtenaren en wetenschappelijke onderzoekers vereist heldere, vooraf bepaalde normen. Niet-helder geregelde zelfregulering schiet hierin schromelijk tekort.

Zelf lijkt mij het jaarlijks aankondigen van beleidsplannen over de zoveelste onderwijsvernieuwing niet onder de categorie ‘wetenschapsbeoefening’ te vallen. Maar andere wetenschapsbeoefenaren denken daar wellicht anders over. De discussie erover is nog niet gestart. Laat een reglementencommissie zich over deze openstaande vraag buigen.

NRC beschuldigt iemand anachronistisch van het overtreden van niet-bestaande verwijzingsregels in combinatie met het vooruitlopen op een overtreding van nog niet bestaande, wellicht toekomstige regels voor toespraken. Iemand voorbarig en voortijdig en in het openbaar ervan beschuldigen, dat met deze ‘overtredingen’ zonder meer plagiaat is gepleegd en daarmee de wetenschappelijke integriteit is geschonden, strijdt met mijn, en hopelijk ieders rechtsopvatting. De procedure om dergelijke schendingen vast te stellen is nimmer bedoeld geweest om mensen kapot te maken.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.