Opinie

Het verraad van de vrijheid

Essay We kunnen geen sterke verdediging opbouwen rond een samenleving die niet weet wat ze verdedigt, schrijft .

Illustratie Max Kisman

In de zomer van 1989 verkeerde het autoritarisme in een wereldwijde crisis. Terwijl de Sovjet-Unie afbrokkelde, demonstreerden Chinese studenten op het Plein van de Hemelse Vrede voor politieke hervormingen en maakte Turkije zich op voor het einde van bijna tien jaar militair bewind. Democratische landen mochten dan zo hun problemen hebben, de beperkingen van het autoritaire alternatief kwamen ook duidelijk aan het licht. De westerse wereld had op dat moment een uitgelezen kans de mensenrechten, democratie, vrije markt en internationale samenwerking te versterken. Maar het tegenovergestelde gebeurde. Nu, dertig jaar later, verkeert juist de westerse democratie in een crisis.

Hoe is dit gekomen en wat valt eraan te doen?

In eerste plaats heeft het Westen dat autoritarisme vooral zelf opnieuw sterk helpen maken. Economische samenwerking zou landen democratiseren, dacht men in de jaren negentig. Maar naarmate de economische samenwerking toenam, schrok het Westen terug voor de gedachte om deze afhankelijk te maken van hervormingen: van de openstelling van markten, de verbetering van mensenrechten, meer democratisering.

Terwijl er miljarden dollars aan investeringen en handelsgeld naar autoritaire landen vloeiden, en autoritaire regimes westerse bedrijven dwongen diens technologie met hun staatsbedrijven te delen, was er weinig vooruitgang op het gebied van politieke hervorming.

Het Westen was niet blind voor deze toestand. „Ik vind ons China-beleid een ramp”, verklaarde de toenmalige Amerikaanse president Bill Clinton. Inlichtingendiensten rapporteerden dat China zijn welvaart niet gebruikte om zich open te stellen, maar om de positie van de Communistische Partij te versterken, dissidenten aan te pakken en militair weerwerk tegen de VS en Japan te bieden. Hetzelfde deden Saoedi-Arabië en andere Golfstaten. De autocraten verdienden miljarden aan de olie-export; de hiermee opgebouwde rijkdom werd vervolgens deels gebruikt om de verspreiding van de radicale islam te bekostigen.

Lees ook: China was pionier van het autoritaire kapitalisme

Goedkope energie

In het Westen heerste intussen het kortetermijndenken. Pragmatisme werd een dekmantel voor opportunisme. De invoer van goedkope energie en consumptiegoederen hielp om een gevoel van welvaart in stand te houden. Het steunen van dictators kreeg de voorkeur boven de complexiteit en onzekerheid van democratische transitie.

Rond de eeuwwisseling was het duidelijk dat in belangrijke landen de opmars van de vrijheid was gestuit. China had zich dan wel aangesloten bij de Wereldhandelsorganisatie, tegenover de reductie van de invoerbelemmeringen stonden nieuwe vormen van protectionisme. Rusland was in naam een democratie, maar de pas gekozen president Vladimir Poetin stelde zich kritisch op tegenover liberalisering en noemde de val van de Sovjet-Unie een tragedie.

China, Rusland, Turkije, Saoedi-Arabië: ze mondialiseerden wel, maar democratiseerden nauwelijks. Intussen groeide het aandeel van autoritaire landen in de westerse import gestaag, van ongeveer 16 procent in de jaren negentig tot ongeveer 32 procent in de laatste paar jaar.

Het Westen zwichtte voor staatskapitalisme en werd daardoor zélf steeds minder een vrije markt. Neem de beperking van overheidsingrijpen, een van de voorwaarden van een vrije markt. Welke prikkel hadden Westerse bedrijven om een vierde industriële revolutie uit te rollen, als datzelfde Westen werd overspoeld met producten die niet alleen goedkoop werden gehouden door de lagere lonen elders, maar ook door een bewust dumpingbeleid? Waarom zouden we in Europa investeren in duurzame staalfabrieken, als staal voor dumpprijzen op onze markt gekieperd wordt? Wat was het effect op de markt, nadat China besloot om de met handel verdiende dollars en euro’s op te potten in strategische reserves en door te sluizen naar staatsbedrijven om met dat geld havens en technologie te kopen?

Milieuvervuiling

Een goede markt beteugelt ook externe kosten zoals milieuvervuiling. Maar in dit geval zorgden autoritaire landen er voor dat grondstoffen duur genoeg bleven om hun machtspositie te versterken, maar toch goedkoop genoeg om westerse consumenten verslaafd te houden en het zoeken naar alternatieven te vertragen. Welke prikkel hadden bedrijven om naar duurzame groei te streven als ze de vervuilende industrie gewoon naar het buitenland konden verplaatsen? Als ze konden profiteren van regeringen die geen oog hadden voor vervuiling? Of van regeringen die bewust zelfvoorzienende boeren vervingen door plantages met goedkope katoen en andere landbouwproducten die westerse consumenten met zoveel gemak weggooien?

Natuurlijk is er op het gebied van milieunormen vooruitgang geboekt, maar hoeveel meer vooruitgang en innovatie zou er niet zijn geweest als we onze eigen maatschappelijke- en milieunormen ook op onze import hadden toegepast?

Een echte vrije markt vereist transparantie. Het hele idee van een vrije markt is voortgekomen uit de westerse Verlichting die mensen vooral in staat wilde stellen om rationele keuzen te maken. Maar hoe kunnen we verwachten dat consumenten rationele keuzen maken als de productieketens lang en complex zijn geworden? Als het verhaal achter een product ondoorzichtig is?

Het is moeilijk om het eigenbelang te bepalen, zoals Adam Smith benadrukte, als de markt een rookgordijn is. Een vrije markt draait om de vrijheid als consument om keuzes te maken, maar ook om de emancipatie van mensen, om hen keuzes te laten maken en te laten inzien welk effect een aankoop op hun leven en op de maatschappij heeft. Westerse scholen leiden vrij goede producenten op, maar slordige, roekeloze consumenten.

Lees ook: Het overdreven doemdenken over de ondergang van Europa

Economisch nationalisme

Critici kunnen riposteren dat het Westen boter op het hoofd heeft. De vrije markt is ook in het Westen nog altijd eerder een ideaal dan een realiteit. Ook wij hebben een lange geschiedenis van overheidsbemoeienis en economisch nationalisme. In de oudheid lokte Solon, de sluwe staatsman uit Athene, de beste pottenbakkers weg uit het naburige Korinthe. In de negentiende eeuw promootten Alexander Hamilton en Friedrich List de bescherming van jonge industrie in de Verenigde Staten en Duitsland.

Ook onze eigen industriële start kenmerkte zich door nationalisme. Toch is de kwestie niet zozeer wie en wat wij in het verleden waren, maar wat we in de toekomst willen zijn. Het idee bestaat dat we wereldwijde onrust riskeren als we de liberale principes consequent op ons buitenland- en handelsbeleid toepassen. Dat is misschien zo, maar laten we wel wezen: verzwakt de Westerse wereld verder door een blijvende economische uitputtingsslag met autoritaire landen, dan riskeert het op termijn helemaal in de greep te komen van protectionisme en roekeloos nationalisme.

Als het Westen het economische speelveld niet naar een hoger niveau tilt, niet een markt schept die positief ondernemerschap beloont, die banen schept of rijkdom op andere manieren verdeelt, zal het Westen zélf bezwijken aan maatschappelijke onrust en versplintering. Het is beter onze macht in stand te houden en onze principes te handhaven dan ze door autoritaire landen te laten ondermijnen.

Goedkope geneesmiddelen

Maar hoe kunnen arme landen de kost verdienen als de mondialisering wordt geremd? Allereerst moeten we ons de vraag stellen of het steeds de mondialisering was die nu echt het verschil maakte, of dat de vooruitgang lag aan het vermogen van landen om de mondialisering te manipuleren. Denk aan het verschil tussen China en India. Het investeringsklimaat in India was moeilijk en het Westen koos partij voor een dictatuur, met als voornaamste verschil dat de beperkingen daar iets subtieler waren. Maar was het ook echt de economische openstelling die hongersnood en ziekte hielp bestrijden, of was het de beschikbaarheid van goedkope geneesmiddelen die grotendeels te danken waren aan een eerdere wetenschappelijke en industriële vooruitgang in het Westen?

Het is ook cynisch te beweren dat landen eerst nederig moeten dienen voordat ze enige waardigheid kunnen verwerven. In plaats van onze vervuilende en verspillende industrie te verhuizen naar arme landen, kunnen we de industrie in het Westen heropbouwen, maar dan op een betere, meer duurzame en menselijke manier. In plaats van arme landen uit te buiten voor het in stand houden van onze overconsumptie, zouden we die landen kunnen helpen met het opbouwen van een eigen economie. Een deel van de productie zal wellicht meer regionaal worden georganiseerd, terwijl die goederen die echt uniek zijn alsnog wereldwijd kunnen worden verhandeld. Het wordt dan minder een globalisering van de massa en meer een globalisering van de kwaliteit.

De opmars van het autoritarisme en de verzwakking van het Westen zouden ons dus kunnen aanmoedigen een nieuwe stap in de Westerse beschaving te zetten, om technologische revoluties te leiden en zo te bouwen aan een duurzame en trotse samenleving. Maar wat we vooral zien, is dat de bezorgdheid leidt tot een onsamenhangend diplomatiek en militair antwoord, terwijl de onevenwichtige handelsrelaties doorgaan. Dit is de slechtst denkbare strategie: militair en politiek reageren, op de spierballenpolitiek van Moskou, de opmars van China en de aanhoudende steun voor islamextremisme vanuit de Golf, terwijl we die spelers tezelfdertijd rijk blijven maken.

Lees ook: VS en China zoeken nieuwe balans

Ook zullen we hun propaganda- en informatieoorlogen onmogelijk een halt kunnen toeroepen zolang tal van onze leiders slechts lippendienst aan de Atlantische kernwaarden bewijzen, zolang zakenmensen ten koste van hun samenleving winst op de korte termijn najagen en zolang studenten niet meer weten wat het betekent om onder een dictatuur te leven en welke prijs we hebben betaald voor onze vrijheid. We kunnen geen sterke verdediging opbouwen rond een samenleving die niet weet wat ze verdedigt.

Wat we hebben, niet wie we zijn

Terwijl we gezapig de vrede consumeren die na de Tweede Wereldoorlog moeizaam werd bereikt, hebben mensen ook een gevoel van eenzaamheid en onmacht over zich gekregen. We stellen weinig vragen over onze waarden. We zijn gericht op wat we hebben en niet op wie we zijn. Filosoof en politicoloog Francis Fukuyama waarschuwde hier al dertig jaar geleden voor, in zijn Einde van de geschiedenis. Ook de Amerikaanse oud-minister van Defensie James Mattis heeft hierop gewezen. Niet alleen de macht van het Westen vloeit weg, zei hij, ook de waardering en eerbied voor waar het ooit voor stond: de idealen van burgerschap, menselijkheid en waardigheid. Nogmaals, de werkelijkheid was verre van ideaal, maar enkel als idealen breed gewaardeerd worden, maken we een kans om de werkelijkheid te verbeteren.

Lees ook: Het neoliberalisme bevordert het autoritarisme

De belangrijkste strijd voor het Westen wordt de strijd voor de emancipatie van de geest. Dat is economisch gezien de voornaamste bron van vooruitgang; politiek gezien onmisbaar als het gaat om het behoud van de democratie; cultureel gezien een voorwaarde om het Westen een van de bakermatten van de beschaving te laten zijn.

Creativiteit en goed bestuur

Het wordt een strijd tegen de huidige gewoonte om te bepalen wie we zijn aan de hand van wat we hebben, om onze innerlijke wereld van aspiraties af te stemmen op de materiële vooruitgang. Deze strijd gaat terug op het humanistische denken dat ten grondslag lag aan de Verlichting en dat ook een inspiratiebron was voor de Amerikaanse Founding Fathers. Maar het heeft ook betrekking op politiek realisme waarbij het vermogen om materiële macht te kweken afhangt van niet-materiële verworvenheden als gerechtigheid, creativiteit, ondernemerschap, burgerschap en goed bestuur.

Zonder sociale cohesie en veerkracht zal elke militaire reactie tegen autoritaire rivalen neerkomen op het verdedigen van een leeg fort. Aan de buitenkant lijkt het imposant, maar van binnen is het zwak, besluiteloos en verdeeld. Wij zijn weerloos in een hybride oorlog als onze eigen leiders meer belang hechten aan financieel gewin en prestige dan aan de maatschappij waarin hun kleinkinderen opgroeien. We kunnen een informatieoorlog niet bestrijden als we onze burgers niet leren begrijpen wat het betekent om in een dictatuur te leven. Er is geen verdediging denkbaar als burgers eerder geneigd zijn hun waardigheid op te geven dan om ervoor te vechten. Zoals Augustinus de Romeinse staatsman Scipio (236 – 183 v.Chr.) citeert: geen enkele samenleving overleeft achter sterke muren als haar moraal in puin ligt.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.