Opinie

Fantastische schrijvers en herhaalde herinneringen

Column Harald Merckelbach Wie voortdurend blootstaat aan ellende, gebruikt zijn fantasie om er mentaal aan te ontsnappen.

Harald Merckelbach

Volgens een vaak geciteerde wijsheid is een ongelukkige jeugd des schrijvers goudmijn. De boodschap is helder: een vervelende kindertijd biedt stof voor goede fictie. Een variant hoorde ik ooit van een Nederlandse uitgever. Jonge romanschrijvers uit Wassenaar en Bloemendaal, zei hij, neigen tot plotloos proza, omdat ze nooit tegenslag van enige betekenis in hun leven hebben ondervonden.

Hij krijgt gelijk van psychotherapeuten die menen dat een nare jeugd de verbeeldingskracht tot grote hoogte opstuwt. Want wie voortdurend blootstaat aan niet te ontwijken ellende, zal zijn fantasie gebruiken om er mentaal aan te ontsnappen. Zo’n goed ontwikkelde fantasie komt nadien bij het schrijven van pas. Klinkt aannemelijk. Dus kijken we niet gek op als schrijvers in praatprogramma’s komen uitleggen dat hun nieuwste roman gaat over tragedies die zich echt in hun leven hebben voltrokken. Zoals de schrijver die vertelde dat hij het verzwegen prinsenkind was van de buitenechtelijke relatie van zijn moeder met prins Bernhard. Best mogelijk, denkt menigeen. Eerst de ellendige jeugd, dan de literaire bewerking ervan.

Verzonnen hoofdpersonen

Bestaat de omgekeerde route ook? Eerst de literaire verbeelding en daarna ellendige herinneringen die autobiografisch aanvoelen, maar dat niet zijn? Lijkt op het eerste gezicht onwaarschijnlijk. Toch liggen de anekdotes over auteurs die zich vereenzelvigden met hun romanpersonages voor het oprapen. Bij sommigen reikte de empathie voor de door henzelf verzonnen hoofdpersonen zo ver dat ze moeite hadden om te onderkennen dat het om verzinsels ging. Georges Simenon, auteur van vooral misdaadnovelles, kon tijdens het schrijven dermate ondergedompeld raken in zijn fictie dat hij zijn vrouw sloeg – want een van de hoofdpersonen deed het ook. Als een roman af was, moest Simenon het op een stevig drinken zetten om zich psychologisch te ontkoppelen van zijn romanpersonages. Simenon is niet de enige. Amerikaanse wetenschappers vroegen aan schrijvers of ze het fenomeen kenden van imaginaire hoofdpersonen die realistisch worden en deel gaan uitmaken van het leven van de schrijver. De meerderheid kende het verschijnsel, dat zich trouwens dwingender leek voor te doen bij succesvolle schrijvers.

Romanpersonages die een aura van echtheid verwerven is één ding, pure fictie die tijdens het schrijven het geheugen insijpelt en dan de eigen autobiografie muteert is nog wat anders. Maar ook deze meer verontrustende variant is makkelijker uit te lokken dan je geneigd bent te denken. Geheugenpsychologen lieten proefpersonen eerst een lijst invullen over wat hun vroeger zoal was overkomen. Hadden ze bijvoorbeeld ooit een ongeval meegemaakt waarvoor ze zich onder doktersbehandeling moesten stellen? De meesten zeiden van niet.

Vertroebelde herinneringen

Een week later kwamen de proefpersonen terug en moesten ze een korte biografie schrijven over ene John. Ze kregen in steekwoorden te horen wat er in zijn leven was voorgevallen. Híj had wél ooit een ongeval meegemaakt, een juweel op straat gevonden en zo meer. De biografen moesten er een lopend verhaal van maken. Weer een tijdje later vulden de proefpersonen andermaal de lijst in over dingen die in hun eigen leven waren gebeurd. Het schrijven aan Johns biografie vertroebelde de eigen herinneringen: de gebeurtenissen die John waren overkomen, vonden de proefpersonen nu ook waarschijnlijkere onderdelen van hun eigen autobiografie. Ze hadden zo’n soort ongeval als kind misschien toch wel meegemaakt en wellicht ooit een duur sieraad gevonden. Door herhaling en detaillering kan fictie zo vertrouwd raken dat de schrijver haar voor autobiografie aanziet. Wat echt gebeurd is, voelt immers courant aan. De verwarring tussen feit en fantasie ontstaat zodra we de vuistregel omkeren en daarbij over het hoofd zien dat niet alles wat vertrouwd klinkt ook klopt.

Het doet denken aan de affaire rond het boek van de Zwitserse klarinetleraar Binjamin Wilkomirski, getiteld Bruchstücke (1995). Het gaat over een joodse jongen uit Riga, die de concentratiekampen overleefde. Wilkomirski begon te geloven dat hijzelf die jongen was en presenteerde zijn boek als autobiografie. Zo werd het enige tijd ook gezien: als de knap beschreven jeugdherinneringen van iemand die aan de Holocaust ontsnapte. Totdat onderzoek aan het licht bracht dat de schrijver in 1941 te Zürich ter wereld kwam. Wilkomirski bleef volhouden dat hij de realiteit had gefictionaliseerd in plaats van andersom. Dat hij geen platte leugenaar was, maar heilig geloofde in zijn eigen fictie, blijkt uit de consequenties die hij eraan verbond. Op enig moment meende een bejaarde man in Israël Wilkomirski te herkennen als zijn doodgewaande zoon. De man drong aan op een ontmoeting en op DNA-onderzoek. Wilkomirski stemde er enthousiast mee in, iets wat je niet doet als je weet dat het tot een demasqué kan leiden. Al kwam dat demasqué er evenzogoed wel.

Kunst is een leugen die ons de waarheid beter doet begrijpen, zei de schilder Picasso. Bij romans over jeugdtrauma’s kan dat een zeer persoonlijke waarheid zijn, eentje die weinig heeft uit te staan met de feiten.

Harald Merckelbach is hoogleraar rechtspsychologie aan de Universiteit Maastricht.