Jeremy Kuys staat al vijftien jaar met regelmaat op het puntje van de pier.

Niels Blekemolen

Vissen bij Wijk aan Zee: ‘Die daar heeft pas écht mooie apparatuur’

De man Het zijn vooral mannen die, een dagje vrij van verplichtingen, staan te vissen op de Noordpier bij Wijk aan Zee. Hoe verder de zee in, hoe zwaarder het wordt. ‘Ik wil groot spul waar ik mee kan vechten.’

Gedachten vervliegen op de zeepier. De woordenwisselingen van thuis, de zorg voor gezin, de werkstress. Ze verwaaien, verdreven door de stilte en het ruisen van de zee. Alleen het uitzicht blijft. De blik op het oneindige, aan de horizon een enkele boot. De blik op de golven die stukslaan op de rotsen, op het windmolenpark, op het topje van de hengel.

Tikt het topje rustig, dan hapt onder het wateroppervlak een platvis. Lichte trilling: paling. Een paling is wantrouwig, sabbelt eerst even aan het aas. Proeven, wachten, dan pas toeslaan. Bij een grote knal: zeebaars. Rukt het aas in één klap weg.

Wie vist op de Noordpier bij Wijk aan Zee, kent zijn plek. De pier is twee kilometer lang en hoe verder je komt, hoe zwaarder het is. Tot driekwart zitten de mooi weer-vissers. Mannen, vooral, in tweetal, dagje vrij van plichten. Richting einde loopt de pier plat af en moet je verder werpen. Zwaaien met een reuzenhengel om het aas honderd meter verderop in volle zee te zwiepen. Hier vind je de professionals. In de nacht tientallen Poolse, Roemeense en Bulgaarse mannen die vissen voor de handel. Tassen vol nemen ze mee. Allemaal hun vaste stek.

En helemaal op het puntje van de pier, bij de vuurtoren, waar de stroming het krachtigst is, de golven het onstuimigst, de rotsen op z’n vuigst, daar staat de allersterkste. Hij die de natuur bedwingt.

Niels Blekemolen

„Daar op de kop”, zegt Leida Zwemmer, wijzend naar de vuurtoren, „daar heb je gul, kabeljauw. Maar tussen die rotsen, daar verspeel je veel lood.”

Leida komt hier al jaren, samen met haar man Jan, die starend voor een hengel zit. Hun stek is halverwege. „Ach, wij zijn AOW’ers”, zegt Leida. „De kinderen zijn de deur uit, we hebben vijf kleinkinderen. Gister hebben we opgepast en nu is het weer een dagje voor ons, hè Jan.”

Jan zegt niets.

Twee uur vóór hoogtij en twee uur erna, dat zijn de beste momenten om te vissen, zegt Leida. Dan vind je zeebaarsen, „zúlke jetsers”, en gul, en garnalen, en tong. En makrelen, al duiken die tussen de rotsen, „dat is lastig binnenhalen”.

Vandaag hebben Jan en Leida vooral schar gevangen. Zeven stuks, sinds vanmorgen half acht. En apenhaar, heel veel apenhaar. Dat zijn slierten bruine zeeplant. Alle vissers hebben er een hekel aan, omdat het zo blijft haken aan je lijnen.

„Vroeger haalden we veel meer vis op”, zegt Leida. „Hadden we ook zo’n rooktonnetje. Maar het is stukken minder nu, hè Jan… Jan, zeg ’s wat…”

„En er zit hier ook altijd een zeehond”, vervolgt Leida. „Leuk hoor, zo’n koppie boven water. Doe ik altijd ‘tuttuttut, zeerob!’”

De hengel van Jan beweegt.

„Is het weer apenhaar, Jan?”

Jan staat op en begint te draaien aan de molen.

„Heb je wat, Jan?”

„Ja”, zegt Jan, brommend. „De hele Noordzee.”

Het is weer apenhaar.

Joop Rouette met zijn zorgvuldig bij elkaar gekochte visuitrusting.Niels Blekemolen

Loop over de pier en je hoort de geheimen. Elke visser heeft zijn eigen theorie. De één zweert bij oostenwind – „ideaal! Windkracht vijf!” –, een ander zegt „met oostenwind vang je niks”. De één zweert bij zagers, „da’s het beste aas”, de ander juist bij zeepieren – „happen ze sneller”. En zo heeft ook ieder zijn voorkeuren voor haken, lijnen, hengel en stek.

„Hij vangt alles, ik snap er geen reet van.” Piet Ree wijst naar zijn maatje, Han Fhijnbeen. Ze zitten op driekwart van de pier.

„Ik ben een dagje vrij van de bouw en belde ’m gister op: vissen?” Ze gaan altijd met z’n tweeën. Bier, brood, worst en snoep mee. Ogen dicht, buiten zijn. Soms valt er één in slaap. „Het is gewoon lékker.”

Thuis hebben ze wel vijftien hengels. Voor elk type water of vis een andere soort. Maar het blijft „Fingerspitzengefühl”. Wijzend naar hun buurman verderop. „Die daar heeft pas écht mooie apparatuur.”

De buurman van verderop heet Joop Rouette. Zijn huid is gelooid en op zijn neus prijkt een bril met gele glazen. Joop is gepensioneerd, werkte als laborant op de radiologie-afdeling. Hij heeft zijn visuitrusting geperfectioneerd.

Zijn hengel is van het merk Shakespeare, à zeshonderd euro. Kwestie van smaak. „Shimano is eigenlijk de beste.” Ook belangrijk: een goeie molen, à tweehonderd euro. „Gaat het draaien makkelijker.” En een vislijn van gevlochten nylon. „Glijdt het lekkerst.” En steevast 75 pieren en een onsje zagers als aas. Liever de duurdere steekzagers dan kweekzagers. „Zijn beter.”

En als de vissen dán nog niet bijten? Dan ga je experimenteren. Lijntje korter, lijntje langer, ander haakje. Soms kijkt Joop naar een buurman die wél alles vangt. Dan loopt hij erheen om te zien hoe ’ie het doet. Maar het blijft giswerk. „Ik heb wel eens vijftig vissen gevangen op een dag, en ook wel eens twee. Je weet het niet.”

En dan, aangekomen op het puntje van de pier, en eigenlijk nog iets verder, staat hij daar. Op een rots achter de vuurtoren. Wijdbeens. Jeremy Kuys, 39 jaar, temmer van de natuur.

Woesj! Daar gaat z’n lijn, na een ferme zwaai. Pas vijf tellen later zeilt de haak het water in. Hoe ver hij kan? „110 tot 130 meter”, zegt Jeremy, zich omdraaiend. „Maar nu doe ik iets dichterbij.”

Niels Blekemolen
Piet Ree gaat altijd vissen met maat Han.
Niels Blekemolen
Niels Blekemolen
Niels Blekemolen

Verderop op de pier vissen ze ook op kleine visjes, maar Jeremy gaat alleen voor gul. „Ik wil liever groot spul waar ik mee kan vechten.”

Hier, op het puntje van de pier, in de bocht, is de stroming anders. Krabben en garnalen slaan er tegen de rotsen en de grote vissen komen erop af. „En dan komen ze mijn piertjes tegen, en dan pám.” Echte gul, „die klápt”, zegt Jeremy. „Die zuigt ’m naar binnen. Dan wil ’ie weg, en dan schrikt ’ie.”

Na de schrik begint de échte strijd. Vanaf de hoogste rots draait Jeremy met zijn sterke armen, hij is kunstgraslegger van beroep, werkt met zakken à 25 kilo strooizand, als een razende aan de molen. Hij móét wel, want die gul duikt zo de rotsen in. En dan kom je vast te zitten met je draad en ben je alles kwijt. Lood, haken, op deze stek is Jeremy al „voor duizenden euro’s” aan spul verloren.

Opgegroeid in Brabant ging Jeremy als kind met vader of opa mee vissen op de Maas. Regen, kou, ze waren er altijd. En nu nog steeds maakt het weer hem niets uit. Desnoods staat hij er in een dik regenpak met laarzen. En eens met een strenge winter was z’n eitje, „schil en al”, binnen het uur bevroren.

Al vijftien jaar staat Jeremy hier op het puntje van de pier. Zo’n twee keer per maand komt hij ’s nachts vanuit Kaatsheuvel naar Wijk aan Zee gereden. Paar uur slapen in de auto en dan van start.

Vandaag heeft hij uit zijn collectie hengels een Nebula HTO meegenomen. „De kenners weten wel waarover ik het heb.” Al is hij eigenlijk een „Shimano-man”.

Jeremy stapt van de rots om een sjekkie te roken. „Weet je”, zegt hij, „als je veel stress hebt en je staat hier, dan vergeet je alles”.

Hij heeft het zelfs eens 48 uur volgehouden. Dat was vechten tegen de hoofdpijn en de vermoeidheid, maar hij kón gewoon niet weg. „Het is een verslaving.” De spanning van het vissen, en tegelijkertijd de rust van de zee. „Kijk zelf”, zegt Jeremy, turend naar de horizon. „Het uitzicht, de boten, het geluid van de meeuwen.”

Jeremy heeft een tattoo. De Noordpier, over zijn hele linkerarm. Met de rotsen, de vuurtoren en de scheuren in het beton. „Precies zoals het is.”

Niels Blekemolen