‘Dichters verwoorden de tijd beter’

Bas Kwakman Poetry International in Rotterdam bestaat dit jaar vijftig jaar, en wordt meer gedoogd dan omarmd, zegt directeur Kwakman. Terwijl de aandacht voor poëzie groeit. „In onzekere tijden gaan mensen op zoek naar de goede woorden en vaak vinden dichters die eerder dan niet-dichters.”

Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn (rechts) danst in De Doelen op het Poetry International Festival van 1970.
Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn (rechts) danst in De Doelen op het Poetry International Festival van 1970. Foto Pieter Vandermeer/Poetry International

‘Zoeken naar een definitie van wat poëzie is, is een onzinnige queeste geweest”, vertelt Bas Kwakman. Volgende week neemt hij afscheid van Poetry International, na 16 jaar directeur van het festival te zijn geweest. Hij gaat zich richten op zijn eigen schrijverschap en wellicht gaat hij de gedichten die hij zelf schreef, maar nu in een doos liggen, bundelen. Bij wijze van afscheid is zijn boek In poëzie en oorlog verschenen. Je leest er in terug hoe het festival in 1970 begon als anarchistisch feest, hoe de rol van dichter en van publiek veranderde, hoe na 26 jaar de eerste directeur, Martin Mooij, afscheid moest nemen van wat hij was gaan zien als zíjn festival. De toen 29-jarige Tatjana Daan werd halverwege de jaren negentig de nieuwe directeur, en de koers wijzigde.

Kwakman: „Mooij richtte zich op de vrije stem. Er moesten dichters uit gevangenissen worden gehaald, dichters die vervolgd werden, moesten op het podium en financieel geholpen worden. Mooij zei: de goede dichters wereldwijd geven de toon aan van het festival. Als de beste poëzie politiek is, dan zie je dat op het festival. Het festival volgt de ontwikkelingen.”

Een festival stuurt toch ook?

„Zeker, maar je maakt je keuzes door continu op de golven van de tijd te surfen. Dus je kijkt wat er wereldwijd gebeurt in de poëzie, en vraagt je af welke bijzondere stemmen je op het festival wil horen. Je zou nu niet een festival kunnen organiseren waar alleen maar l’art pour l’art- dichters staan. Dat geeft geen beeld van deze tijd.”

Wat veranderde Tatjana Daan?

„Zij had meer aandacht voor het publiek. Daarvoor was het een ons-kent-onsfestival waar bevriende dichters elkaar feliciteerden, en ze het bijna jammer leken te vinden dat er publiek bij moest. Ik chargeer wat, maar het beeld was er wel: dat het festival er vooral was voor de ontmoeting van de dichters onderling.”

Vind je dat het gelukt is er een niet meer in zichzelf gekeerd festival van te maken?

„Ja. Ik zeg niet dat het geen continue strijd is om dat te voorkomen, maar je kan je er nooit bij neerleggen. Aan het einde van Martin Mooij’s periode als directeur kwam het publiek niet meer, of er zat publiek dat zich afvroeg: moet ik hier wel bij zijn? Daan heeft het zo veranderd dat het weer interessant werd voor het publiek. Ze deed geen knieval maar zei wel: we zitten in het theater, dus laten we dat zo gebruiken.”

Het boek lijkt een afrekening met Mooij, als iemand die grootheidswaanzin had. De beschrijving van de mislukte veiling van zijn Poetry-spullen is ontluisterend.

„Het is geen afrekening. Ik heb ook een eerbetoon willen schrijven. De veiling die ik beschrijf, vond ik een indrukwekkend moment. Hij had nooit echt afscheid genomen, en verkocht daar kunst van dichters, die hij had verzameld en gekregen. Dat hij er hoge verwachtingen van had geeft aan hoe belangrijk die periode voor hem is geweest. Hij dacht dat de kunst van de dichters ook maatschappelijk van enorme waarde zou zijn. Dat bleek niet het geval.”

Is dat niet bij uitstek het kenmerk van poëzie?

„Nee, het kenmerk van poëzie is dat zowel het publiek als de dichter zelf beseft dat het geen enkele tastbare waarde heeft. Niemand verdient geld met poëzie. Als je die wereld betreedt, weet je dat dat een tak van sport is die zich los van maatschappelijke afspraken beweegt.”

Het festival was onder Mooij politiek, onder Daan kwam er meer ruimte voor publiek. Hoe zou moeten we de Kwakman-periode zien?

„Ik erfde het mooiste festival dat er was en hoefde het roer niet om te gooien. Ik heb beeldende kunst en muziek toegevoegd, niet als illustratie of pauzemuziekje, maar omdat het gelijkwaardige stemmen waren die met elkaar in gesprek gingen. Maar ik denk dat als men over tien jaar terugkijkt, dat die toevoeging niet het Kwakman-stempel zal zijn. Wel dat ik in staat ben geweest om met behoud van het DNA het festival door een politiek moeilijke tijd te loodsen.”

Welke politiek moeilijke tijd?

„Toen ik begon, kon je op een verjaardagsfeestje aankomen en zeggen: ‘Ik ben directeur van Poetry’. Dan was de reactie: wow, wat geweldig. Tien jaar later was de reactie: ‘Poetry? Moet dat nog wel, gaat daar niet een hoop subsidie heen?’ Je ziet in een notendop een mentaliteitsverandering: de trots op een internationaal belangrijk festival slaat om in gedogen. Dat gedogen vergt wel dat je je flink moet verantwoorden. Aanvankelijk legde je eens in de vier jaar verantwoording af, nu voer je een continue strijd om de vraag: weet je wat we willen en doe je wel wat we willen?”

Het lastige is dat poëzie zich in moeizaam vaarwater bevindt.

„Ik vind dat poëzie helemaal niet in moeilijk vaarwater zit. In de afgelopen 16 jaar heb ik niet meegemaakt dat er zoveel dichters actief waren als nu. Ze zijn actief op podia, op allerlei sociale media, ze proberen op allerlei plekken er te zijn, treden op bij een dansvoorstelling, een dj – noem maar op. Het is maar net wat je onder dichter verstaat, maar dat is voor mij zeer breed, en het bestaan als dichter is levendiger en spannender en diverser dan ooit.”

Dit klinkt een beetje als mensen die roepen: nee, er is geen ontlezing, want mensen lezen berichten op Facebook. Er wordt toch gewoon minder gelezen.

„Ja, die redenatie hoor ik ook vaak, die is me te makkelijk. Mij gaat het om poëtisch nadenken, een manier van omgaan met poëzie – dat is echt verbreed. Ik zie dat veel meer mensen daarmee bezig zijn dan voorheen. De aandacht voor poëzie groeit. Er zijn huisdichters, stadsdichters, op tv zijn er dichters aan het woord. In onzekere tijden gaan mensen op zoek naar de goede woorden en vaak vinden dichters die eerder dan niet-dichters. Dat zie je in de beweging van poëzie in de afgelopen vijftig jaar: het zijn de dichters die de tijd verwoorden.”

Dat is inherent aan bijvoorbeeld stadsdichters, je kan er moeilijk eentje aanstellen die alleen over z’n zolderkamer dicht.

„Nee, maar als je tien jaar geleden met een stadsdichter aankwam, waren er nog veel dichters die zeiden: rot op met je opdracht over de stad. Het blijkt dat er dichters zijn die dat heel goed kunnen.”

Is poëzie is verschoven naar beleven?

„Op het gebied van spoken word verandert er nu veel, is er veel goeds. Je merkt dat de houding van het publiek daar anders is geworden. Luisteraars doen zelf aan spoken word en denken: hé, ik kan daar ook staan. Het is laagdrempeliger – de afstand tussen wie er optreedt en het publiek is kleiner, het is herkenbaar.”

Dat betekent dat de Chinese dissident-dichter het moeilijker krijgt.

„Ja, maar het zit in het DNA van Poetry om de internationale dichters uit te nodigen en niet voor de makkelijke programmering te gaan met wat er al is en het goed doet. Ik hoop dat in de toekomst die blik op wat er buiten de grenzen gebeurt behouden blijft.”

Poetry International vindt plaats van 13 juni t/m 16 juni in Rotterdam