Bij Dr. John werd alles ‘one fonky gumbo’

De excentrieke Dr. John belichaamde de muzikale cultuur van New Orleans. Hij stierf donderdag op 77-jarige leeftijd.

Dr. John in 2013.
Dr. John in 2013. Foto Jonathan Bachman / Reuters

Als muziekstad wordt New Orleans wel eens vergeleken met de Galapagos-eilanden: elk genre heeft er zijn eigen, even kleurrijke als unieke klank. In dat geval was de pianist Dr. John, donderdag op 77-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval overleden, de Galapagos-reuzenschildpad: belichaming van muzikaal New Orleans.

Dr. John was de meest eigengereide aller excentriekelingen. Zijn stijl, karakter en taalgebruik waren een mengelmoes van creoolse cultuur, Mardi Gras-rariteiten en voodoobeats. En toch wist hij een groot publiek te bereiken, en leende hij zijn pianokunsten uit aan vele andere muzikanten.

Lees ook: dit interview met Dr. John (2014)

Mac Rebennack, zoals zijn echte naam luidt, begon zijn muzikale carrière als gitarist. Maar bij een schietincident raakte zijn ringvinger ernstig verwond, waarop Rebennack pianist werd. In een tijd dat het zo goed als uitgesloten was dat zwarte en witte muzikanten het podium deelden, leerde Rebennack zijn pianostijl van zwarte muzikanten als Professor Longhair, James Booker en Fats Domino.

Voodoo

Zijn artiestennaam ontleende hij aan een 19de-eeuwse voodoopriester uit New Orleans. Rebennack begreep al vroeg dat de van oorsprong Afrikaanse spiritualiteit en de daarbij behorende muziek de ruggegraat waren van de typische New Orleans sound, waarin jazz, funk, ritmes van marching bands en Afrikaanse percussie om voorrang vechten. En dat de voodoo hem onderscheidde van de rest.

Hoe Dr. John de creatieve en gevaarlijke jaren vijftig en zestig in New Orleans doorbracht, kun je lezen in zijn autobiografie Under A Hoodoo Moon (1994), geschreven in zijn onnavolgbare eigen stijl vol straattaal en al dan niet bestaande creoolse uitdrukkingen. In New Orleans, schrijft hij, grijpt alles in elkaar. Alle muziek mengt er tot ‘one fonky gumbo’ (stoofpot), waarin niets meer van elkaar te onderscheiden is. Pas toen Dr. John door zijn heroïneverslaving en illegale activiteiten in de problemen raakte in New Orleans, verhuisde hij naar Los Angeles. Daar werd hij sessiemuzikant.

Na opnames voor Sonny & Cher in 1968 in gebruikte hij heimelijk de studio voor een eigen soloproject, met andere verdwaalde en vaak verslaafde New Orleans muzikanten. Het album Gris-Gris werd een ongeëvenaarde mengeling van New Orleans funk, psychedelische rock en voodoochants. Hij had bepaald geen geschoolde zangstem, maar vond dat als Bob Dylan platen kon verkopen als zanger, hij dat ook kon.

Schedel

Op het podium droeg Rebennack typische New Orleans carnavalsoutfits van veren en kralen. Hij liep steevast met een wandelstok of voodoostaf, en op zijn orgel of piano stond een schedel. Zijn funky tripmuziek viel tot zijn eigen verbazing in goede aarde bij de hippies. Zo verscheen hij in 1970 op Kralingen, het Nederlandse hippiefestival.

Muzikanten als Mick Jagger en Eric Clapton werkten graag mee aan vervolgalbums van Dr. John.

Hij maakte totaal meer dan dertig platen, waaronder verschillende jazzprojecten, zoals een hommage aan Louis Armstrong, waarmee hij in 2014 ook op North Sea Jazz Festival stond. Rebennack won zes Grammies. Hits scoorde hij niet, alleen Right Place Wrong Time uit 1973 kwam in Amerika in de toptien. Wel schreef en speelde hij mee met veel andere muzikanten en verdiende hij naar eigen zeggen goed met reclamejingles.

Al voor orkaan Katrina, maar nog meer daarna, vestigde hij de aandacht op de deplorabele staat van New Orleans en het kwetsbare ecosysteem rond de stad. Maar Dr. John was toch vooral de chroniqueur van muzikaal New Orleans.

Schuifelpasjes

Nadat hij enkele mindere albums had uitgebracht, kwam hij in 2012 sterk terug met Locked Down. Toen hij dat jaar in Paradiso het podium kwam opgelopen, zwaar steunend op zijn wandelstok, nam hij plaats tussen het orgel en de piano waarop een schedel stond. Na het mysterieuze nieuwe Eleggua en een lange hypnotiserende versie van Walk on Guilded Splinters uit 1967 – twee voodoonummers – stond hij even op en maakte op de rollende New Orleansbeat nauwelijks merkbare schuifelpassen; het vreugdedansje van een oude man met energie en ritme in elke vezel, die iedere noot een eigen kleur gaf.