Recensie

Recensie Boeken

Deze Nederlandse vrouw was ‘de Tanja Nijmeijer van de 20ste eeuw’

De bijnaam van Fanny Schoonheyt (1912-1961) was ‘de koningin van de mitrailleur’.

    • Sebastiaan Kort

Wat Tanja Nijmeijer is voor deze eeuw, dat was Fanny Schoonheyt (1912-1961) voor de vorige: een jonge Nederlandse vrouw die, voortgedreven door ideologische motieven en een rechtlijnige, polemische inborst, besloot om deel te nemen aan een linkse strijd in een vreemd land. Nijmeijer knokte jarenlang mee met de FARC in de Colombiaanse jungle, Schoonheyt nam in de jaren dertig deel aan de Spaanse Burgeroorlog. En niet om de koffie rond te brengen. In een in 2011 door journaliste Yvonne Scholten (tevens de auteur van een compleet boek over Schoonheyt) geschreven stuk voor De Groene Amsterdammer komt Schoonheyts bijnaam voorbij, namelijk de ‘koningin van de mitrailleur’. Maaien maar.

IJzervreter Schoonheyt (‘Dan doofde ze haar peuk op de zool van haar voet of op haar tong’) is een van de dragende personages in de derde roman van Rebekka W.R. Bremmer. Zeven jaar geleden debuteerde zij met Eb, een oer-Hollandse, historische, Heijermans-eske roman over een vrouw die wachtte op haar Johannes, een op zee dobberende visser. Bremmer mag Schoonheyt wel; toon en cameravoering hellen in het eerste kwart sterk over naar adoratie. Ze splitst Schoonheyt bijvoorbeeld geen dilemma’s in de maag over de doden die ze op haar geweten heeft, laat haar niet malen over de ongewisse toekomst ná de oorlog (in werkelijkheid zou ze haar Nederlandse paspoort verliezen) en ook de strijd zelf baadt in een gouden licht. Schoonheyt rookt intussen als een Turk en praat vaak alsof ze nagesynchroniseerd wordt: ‘Dus onthoud heel goed dat het een stinkende communist was die jouw stinkende leven heeft gered.’ Wie weet praatte je zo in de oorlog.

Ondeugend leven

Bremmer gunt ook de overige dragers van haar roman een hagiografische, romantische omlijsting. Achtereenvolgens de Chileense dichter Pablo Neruda, diens – van oorsprong Nederlandse – vrouw Maruca Reyes en Federico García Lorca, de bekende Andalusische, homoseksuele dichter en toneelschrijver, worden allen van hun voordeligste kant geportretteerd, al moet daar bij vermeld worden dat Reyes lijdt onder het slempen, rondreizen en wegblijven van Neruda, die haar, tja, gewoon laat stikken in de armoe terwijl zij probeert om voor hun dochtertje Malva te zorgen.

Niet zo fraai allemaal, zoals het ook niet zo fraai was dat Neruda in 1929 in Ceylon een poetsvrouw verkrachtte. Móét zoiets dan per se in een roman waarin Neruda een rol speelt? Nee, dat zou een al te modieuze eis zijn. Maar op een gegeven moment heb je het wel een beetje gehad met die overduidelijke sympathie voor de personages. Daarbij: het gaat bij zowel Neruda als Lorca zelden of nooit over hun kunst (toch de basis van hun faam), terwijl Bremmer alle ruimte neemt voor dat zo ondeugende kunstenaarsleven. Zoenen met Dalí op een strand, uit het raam staren, stieren nadoen in een kroeg.

Het hele punt is dat je nooit de indruk krijgt dat Bremmer iets wil compliceren, dat ze een situatie schept waarin iets begint te schuren. Pas in de epiloog, waarin Schoonheyt weer opduikt, komt de wervende kracht van de kunst naar voren, de soms valse retorische kracht die politieke gevolgen heeft. Dat lijkt me nou eens een voortreffelijk uitgangspunt voor een volgende roman, die minder braaf is.