Wat het pensioenakkoord voor jou – en de mensen om je heen – betekent

Pensioensysteem Het is nog te vroeg om exact te zeggen wie de winnaars en verliezers van het pensioenakkoord zijn. Maar het is wel duidelijk dat de generatie van de veertigers voorlopig aan het kortste eind trekt. Er ligt nog een probleem van tientallen miljarden.

De AOW-leeftijd wordt voor twee jaar bevroren op het huidige niveau van 66 jaar en vier maanden en daarna gaat hij langzamer omhoog dan verwacht. I
De AOW-leeftijd wordt voor twee jaar bevroren op het huidige niveau van 66 jaar en vier maanden en daarna gaat hij langzamer omhoog dan verwacht. I Foto Koen Suyk/ANP

De AOW-leeftijd gaat minder snel omhoog, er komen ruimere mogelijkheden voor zware beroepen om toch eerder te stoppen, zelfstandigen kunnen pensioensparen en moeten zich tegen arbeidsongeschiktheid verzekeren. Wie de berichtgeving over het deze week gesloten pensioenakkoord leest, zou zomaar de indruk kunnen krijgen dat er alleen maar winst behaald is.

De ingewikkeldste operatie van het hele akkoord betreft echter het veranderen van de manier waarop alle werknemers sparen voor hun pensioen. Het afschaffen van de zogenoemde doorsneesystematiek en het invoeren van een nieuw soort pensioencontract. Dat heeft effect op de herverdeling van de totale pensioenpot van ruim 1.300 miljard euro. En dat schuiven met miljarden levert winnaars en verliezers op.

1 Om te beginnen: waarom is een wijziging nodig?

Het is al langer duidelijk dat de doorsnee-systematiek onhoudbaar was. Nu krijgt iedereen voor dezelfde euro aan premie hetzelfde toekomstige pensioenbedrag. Dat klinkt eerlijk, maar de facto is het een geldoverdracht van jong naar oud, want een euro die een dertiger inlegt is meer waard – omdat die langer belegd kan worden – dan een euro die een zestiger inlegt. Hierdoor betaal je de eerste helft van je werkzame leven relatief veel premie en de tweede helft relatief weinig. Die overdracht van jong (45-) naar oud (45+) is ongeveer 2 miljard euro per jaar, op een totaal van 30 miljard aan jaarlijkse pensioenpremies.

Dit systeem is prima voor wie altijd bij hetzelfde pensioenfonds blijft: de eerste helft van je loopbaan betaal je de subsidie, daarna ontvang je hem. Maar dit is nadelig voor wie op 45-jarige leeftijd bijvoorbeeld zzp’er wordt en het pensioenfonds verlaat. Die heeft de subsidie wel betaald, maar ontvangt hem niet.

Marike Knoef, hoogleraar micro-economie aan de Universiteit Leiden, vindt het goed dat het systeem verandert: „De arbeidsmarkt is flexibeler geworden. Mensen beginnen bijvoorbeeld als werknemers en worden later in hun leven zzp’er. Deze mensen hebben in de toekomst geen ‘last’ meer van de doorsneepremie. De afschaffing daarvan biedt ook mogelijkheden om in de toekomst meer keuze of maatwerk aan te bieden.”

2 Wie zijn de winnaars en verliezers?

Dat is met geen mogelijkheid te zeggen. Allereerst gaan toekomstige pensioenaanspraken per definitie over de toekomst, en die valt nu eenmaal niet te voorspellen. Allerlei zaken hebben invloed op de opbouw van de pensioenen, zoals lonen, arbeidsparticipatie, hoeveel mensen zelfstandig of in loondienst werken en de inflatie.

„Daarbij”, zegt Robin Fransman, voormalig lid van het Holland Financial Centre en tegenwoordig financieel specialist bij de Argumentenfabriek, „komt alles wat nu des ouds is uiteindelijk toe aan des jongs.” Hij bedoelt: de huidige jongere generatie erft – zowel privaat als publiek – de hele samenleving, inclusief schulden, bezittingen, wegen, gebouwen et cetera.

Tenslotte komen veel effecten van het nieuwe pensioensysteem pas echt aan het licht als duidelijk wordt hoe er gecompenseerd gaat worden voor de verschuivingen in het systeem. Dat is aan de werkgevers en werknemers.

Maar toch een poging, op basis van de afspraken zoals die er nu liggen, om te beoordelen: wie betaalt de rekening voor wie?

De winnaars

Ouderen (boven de 60) hebben het meeste baat bij de wijzigingen zoals die nu op tafel liggen. Allereerst mogen zij die nu nog werken eerder dan verwacht met pensioen. Dat heeft te maken met de aanpassingen in de AOW-leeftijd. Die wordt nu voor twee jaar bevroren op het huidige niveau van 66 jaar en vier maanden en daarna gaat hij langzamer omhoog dan verwacht. In plaats van een jaar langer doorwerken bij elk jaar langere levensverwachting, wordt het acht maanden langer doorwerken per jaar langere levensverwachting. Ook kunnen mensen in sommige gevallen (zware beroepen) drie jaar eerder stoppen met werken, omdat de boete die hun werkgever daarover moest betalen (deels) vervalt.

Voor reeds gepensioneerden vervalt de directe dreiging van kortingen op de pensioenen. Door de lage rente van de afgelopen jaren moesten veel fondsen vanaf volgend jaar gaan korten, omdat hun dekkingsgraden te laag waren. In het akkoord is vastgelegd dat het aanhouden van buffers niet meer nodig is, waarmee de kortingen bij een groot deel van de fondsen van de baan zijn. Daar staat tegenover dat deze ouderen de afgelopen jaren al wel flink last hebben gehad van de slechte economie: er is een aantal jaren niet geïndexeerd (verhoogd), en in sommige gevallen zelfs verlaagd.

Wie ook winnen, althans, voorlopig, zijn de jongeren. Zij hoeven door het afschaffen van de doorsneesystematiek niet meer bij te dragen aan de pensioenen van de ouderen. Elke euro die zij inleggen, gaat voor henzelf renderen. En hoe jonger je bent, des te langer dat kan met elke ingelegde euro. Mede daardoor wordt het voor hen makkelijker om van baan te wisselen, of te kiezen voor een periode als zelfstandige.

Lees ook waarom de doorbraak in het pensioenoverleg nog geen garantie is voor een goede afloop

De verliezers

De Sociaal-Economische Raad (SER) is er in het akkoord helder over en ook het Centraal Planbureau (CPB) becijferde het al: de grootste klap komt terecht bij de groep die net voor 1980 geboren is, mensen die nu rond de 45 jaar zijn dus. Zij hebben tot nu toe premies ingelegd die deels ten goede kwamen aan de ouderen – de reeds genoemde 2 miljard euro per jaar. Schaf je de huidige systematiek nu af, dan gaan zij in de rest van hun werkzame leven niet meer profiteren van een jongere generatie die hetzelfde voor hen doet. Hoogleraar Knoef: „Zij hadden dus wel de lasten, maar hebben niet meer de lusten.”

Het gat wat door het wegvallen van de ‘jong-naar-oud-subsidie’ ontstaat in hun pensioenopbouw bedraagt vele tientallen miljarden (de ramingen van het CPB lopen uiteen van 50 tot 80 miljard). Dat is gigantisch veel geld, waarbij opgemerkt moet worden dat dit bedrag geldt voor de resterende looptijd van de pensioenopbouw, een jaar of 25 voor deze groep. De kosten per jaar zullen dus tussen de 2 en 3 miljard liggen. De overheid gaat dat gat niet dichten, dat zal door werkgevers en werknemers gedaan moeten worden.

Marike Knoef: „Dat is ook logisch. Wat er ook verandert, de totale pot blijft vooralsnog hetzelfde. Het is niet zo dat we ineens minder geld te verdelen hebben, of meer. Het is dus zaak de komende tijd goed na te denken over een eerlijk systeem om de negatieve effecten te dempen.”

3 Zijn er suggesties voor compensatie?

Forse verschuivingen dus voor vele miljoenen mensen. Dat realiseren de onderhandelaars zich ook terdege. Daarom zet de SER een viertal suggesties op een rij over hoe dat gat voor met name de groep rond de 45 jaar gedicht kan worden.

Ten eerste zou de premie die werkenden in de nieuwe systematiek betalen (en die veelal lager zou kunnen uitpakken dan nu) kunstmatig nog een tijdje hoog gehouden kunnen worden. Er is ruim de tijd om dat te regelen: juridisch wordt de doorsneepremie nu afgeschaft, in de praktijk zou een overgangsperiode van 25 jaar kunnen optreden waarbij nog steeds een deel van de pensioenpremie gebruikt wordt om de verliezers van het systeem te compenseren. Daarmee wordt een deel van de rekening voor compensatie weer bij de jongere generatie gelegd. Knoef: „Dat kun je best een tijdje doen, maar mijn suggestie is om dit niet eindeloos lang te laten duren.” Fransman is het daar niet mee eens: „Je moet juist de tijd goed gebruiken die je hebt: we schaffen nu de doorsneesystematiek juridisch af, maar het staat werkgevers en werknemers vrij om in de praktijk nog lang een subsidie van de ene naar de andere generatie in stand te houden om de pijn te verzachten.”

Ten tweede ontstaat ruimte, omdat pensioenfondsen hun rendementen niet meer hoeven in te zetten om de buffers te verhogen. Zij kunnen beleggingswinsten direct inzetten voor de verhoging van het pensioen. Dat is dan wel weer nadelig voor de jongeren, die de buffers op zien gaan aan compensatie van de ouderen.

Ten derde levert de verhoging van de zogenoemde pensioenrichtleeftijd van 67 naar 68 jaar enige ruimte op. Door de premies niet te verlagen (wat zou kunnen bij een verhoging van die leeftijd), kan de extra opbrengst daarvan gebruikt worden ter compensatie van de verliezers.

Ten vierde kunnen fondsen die forse buffers hebben (en die in de nieuwe systematiek niet meer hoeven aan te houden) deze inzetten om de verliezers van het systeem te compenseren. Knoef: „We geven in het nieuwe systeem zekerheid op, waardoor er minder buffers nodig zijn. Dat biedt dus ruimte om iets anders te doen met die buffers, als ze er al zijn natuurlijk. Daarbij geldt wel dat dit voor ouderen voordeliger is dan voor jongeren: als er niet gekort hoeft te worden hebben vooral de ouderen daar baat bij, omdat hun opgebouwde pensioen een stuk hoger is dan voor jongeren.”

Onzekerheid

Wat overblijft is de garantie dat we naar een onzekerder pensioenstelsel overstappen, zeggen Knoef en Fransman beide. Knoef: „We leveren voorzichtigheid in om nu niet te hoeven korten. De afspraak is dat we later, onder het nieuwe stelsel, wel korten als dat nodig is.” Fransman is laconiek: „Onzekerheid? Welkom in het echte leven!”

De gegarandeerde pensioenen zijn al jaren niet meer echt gegarandeerd, met het nieuwe stelsel worden de risico’s daarvan helderder, zeggen beide. „Het is dan ook zaak om heel goed te blijven communiceren wat er precies gebeurt met de ingelegde premies”, vindt Knoef. „Om teleurstellingen te voorkomen, die we in het oude stelsel hebben gezien.”

En wie toch zekerheid wil dat hij ook op zijn oude dag nog kan rondkomen van zijn pensioen, moet minder rekenen op het pensioenfonds dan wellicht verwacht. Fransman: „De beste zekerheid die je kunt hebben is een afgelost huis. Dan woon je nagenoeg gratis en kan je niet zo veel gebeuren. Oh ja, en een moestuin, een paar zonnepanelen op je dak en een levenslange ov-kaart.”