Vrij zijn is...pijproken

Vrij en fotograaf laten zien hoe we uit de sleur breken.

Even is het stil in de witte partytent naast molen De Korenaar in het Brabantse Oirschot. Het NK pijproken is begonnen. Alleen het geknisper van het tabak is te horen als de leden van tien pijprookgildes hun maispijpjes stoppen. Met kleine stampers maken ze een harde klont tabak onderin de pijp met wat zachter gruis daarboven, zodat de tabak zo lang mogelijk kan branden. Wie het langst kan roken, wint.

„Stoppen met stoppen!”, roept de wedstrijdleider na vijf minuten, om vervolgens af te tellen. De deelnemers, vijftig mannen en drie vrouwen, krijgen zestig seconden om de pijp aan te krijgen. „Starten met vuren!”

Binnen een paar minuten staat de tent blauw van de rook. Cor Crans, voorzitter van de Nederlandse Federatie van pijprokers, verontschuldigt zich in zijn openingspraatje voor de locatie. „Het resultaat van de walgelijke regelgeving van de huidige overheid.” Omdat pijproken sinds 2015 cultureel erfgoed is, voelt Crans de verplichting om de meer dan 400 jaar oude traditie op nieuwe generaties over te brengen. Een ingewikkelde taak als je op weinig openbare plekken mag roken, en er ook geen reclame voor mag maken. En dat terwijl pijprokers niet eens roken, vindt Crans. „Wij genieten van tabak.”

Zo niet Jan Bot (75) van het Dortsche Pijproockersgilde. Over zijn gildekleding draagt hij een soort burgermeesterketting met gouden plakkaten. Een grootmeesterketting, legt hij uit. Hij kreeg hem van het gilde omdat hij langer dan anderhalf uur met drie gram tabak kan doen. De truc is om thuis met rotte tabak te oefenen, zegt hij. „Dan leer je te blijven roken als je de smaak je gaat tegenstaan.” Na een klein uur is iedereen af, behalve hij.

Er wordt getreurd over pijpen die niet gingen branden en tijden die niet zijn gehaald

De jongens van de Toebacksuygers, een dispuut van het Wageningse corps, praten in het zonnetje nog even na. Er wordt getreurd over pijpen die niet gingen branden en tijden die niet zijn gehaald. De groep is pas sinds een jaar officieel een gilde, zegt Robbert Broers (22). Crans, „een mooie vent”, gaf een workshop, en introduceerde hen in het pijprokerswereldje.

Ze gaan de tent weer in voor het echte werk. De maispijpjes waren als „gebbetje” bedoeld. Nu krijgt iedereen een luxe wedstrijdpijp van bruyerehout. Sommige beginnende suygers worstelen met het aansteken. „Moet je de lucifer er verticaal in houden?” Anderen laten zich iets te lang door hun mobiel afleiden om de pijp brandend te houden. Jan Bot kan nog wel even door, zegt hij. Het belangrijkste is, zegt hij, om je rust te bewaren. Dat doet hij door gedichten en tekeningen te maken. „Ik heb net een versje over vandaag bedacht. Wil je ’m horen?”