Vreemde broodring op de bodem van een prehistorische put

Archeologie In een Oostenrijks heuvelfort zijn verbrande broodringen van 3.000 jaar oud gevonden, mogelijk bedoeld voor rituelen.

Kleine verbrande broodringen en grote kleiringen.
Kleine verbrande broodringen en grote kleiringen. Foto Heiss et al.

In een 3.000 jaar oude graanput in een prehistorisch heuvelfort in het Oostenrijkse Stillfried an der March zijn drie ongewone, drieduizend jaar oude broodringen van een paar centimeter doorsnede teruggevonden. De functie van de verbrande pasta-achtige ringen is onduidelijk. De betrokken archeologen vermoeden een rituele functie, waarschijnlijk tijdens de depositie van resten van een verbrand huis in de put, toen die niet langer voor graan werd gebruikt. Uit de ongewoon goede bewaring van de broodresten wordt afgeleid dat de broodringen zorgvuldig afgedekt op de bodem waren gelegd. Het heuvelfort stamt uit de late urnenveldcultuur.

Een archeologenteam onder leiding van Andreas Heiss van het Oostenrijkse Archeologie-instituut presenteert de ongewone vondst deze week in PLOS One als een voorbeeld van de vele manieren waarin brood en andere graanproducten een rol spelen in het leven in de prehistorie.

Ringvormige ‘crackers’

Er is weinig bekend over ritueel gebruik van brood in de prehistorie, de kleine kruimels worden ook niet altijd opgemerkt. Uit de vroegantieke tijd zijn ringvormige ‘crackers’ bekend uit Zuid-Italië als tempelgiften. In Vikinggraven worden ook relatief vaak broodringen gevonden, soms in groten getale rondom een metalen lijn.

In totaal zijn er in de heuvelburcht in het oosten van Oostenrijk ongeveer honderd graanputten teruggevonden. Opvallend is dat ze niet meer voor graan werden gebruikt en dat veel putten niet langzaam met afval en zand gevuld zijn geraakt. In Stillfried is een groot aantal in één keer met ongewone objecten gevuld. In sommige putten lagen de resten van kennelijk getemde wilde dieren die van ouderdom waren gestorven, zoals wolven, hazen en edelherten. In ten minste twee putten zijn menselijke schedels gelegd, in één put zijn zeven lijken gelegd. De archeologen spreken van ‘vreemde deposities’ die een rituele functie aannemelijk maken.

Met microscopen is de samenstelling van de ringen onderzocht. Ze zijn gemaakt van rolletjes van gerst, water en een tarwesoort. Het meel was zorgvuldig gemalen: eenderde was vergelijkbaar met modern meel (een zeldzaamheid in deze tijd), de helft met grover griesmeel en de rest met nog grover meel. De ringen waren waarschijnlijk niet gebakken maar gedroogd als pasta.