Pensioenakkoord 2019: zoek de verschillen met 2010

Pensioenakkoorden Het pensioen- en AOW-akkoord van deze week lijkt frappant op het akkoord uit 2010. Minder beloven, meer onzekerheid, vage uitwerking en een knorrig FNV-kader.

De voorzitters van CNV en FNV, Arend van Wijngaarden (l) en Han Busker (m), arriveren bij het ministerie van Sociale Zaken voor hervatting van het pensioenoverleg.
De voorzitters van CNV en FNV, Arend van Wijngaarden (l) en Han Busker (m), arriveren bij het ministerie van Sociale Zaken voor hervatting van het pensioenoverleg. Foto Robin van Lonkhuijsen / ANP

De vergrijzing is een zegen met gebreken. Immers, Nederlanders leven langer, maar de maatschappelijke winst van langer leven heeft een keerzijde: wie betaalt de steeds hogere prijs? Meer mensen krijgen AOW. Meer burgers hebben in hun laatste levensfase intensieve zorg nodig. Meer werknemers gaan genieten van hun aanvullende pensioen boven op de AOW. Het vraagstuk hoe die kosten te verdelen, resulteert in een van dé politieke conflicten van deze eeuw.

Dat conflict oplossen gaat gepaard met horten en stoten. In 2004 blokkeerden de vakbonden een politieke doorbraak naar doorwerken tot op hogere leeftijd. In 2010 legden FNV-voorzitter Agnes Jongerius en werkgeversvoorzitter Bernard Wientjes de basis voor een akkoord over een radicaal nieuw pensioen en een trage stijging van de AOW-leeftijd. Dat laatste was politieke bluf, want daar gaan kabinet en Tweede Kamer over. Over het pensioen beslissen werkgevers en bonden: het is een arbeidsvoorwaarde in de cao. Dat deel van het akkoord flopte na een conflict binnen de FNV (2011) en een begrotingscrisis bij de overheid (2012).

En nu ligt er een serieus nieuw akkoord. En raad eens? De omstandigheden en oplossingen blijken vrijwel identiek aan die in 2010/2011. Op Twitter reageerde John Kerstens, toen als voorzitter van FNV Bouw een sleutelfiguur in de onderhandelingen, als volgt: „Ik was dus niet de enige met een déjà vu”.

Tuig van de richel

Aan het akkoord van 2010 ging mislukt overleg vooraf, een halfjaar daarvoor. Toen gaf FNV-voorzitter Jongerius de werkgeversdelegatie de volle laag. „Tuig van de richel”, liet ze zich ontvallen, terwijl een microfoon van RTL openstond. Vorig jaar waren juist de werkgevers boos nadat het pensioenoverleg was vastgelopen: een akkoord was zó nabij. Later klaagden ze in De Telegraaf over het falend leiderschap van FNV-voorzitter Han Busker.

Het akkoord van 2010 brak radicaal met het traditionele uitgangspunt dat pensioenen zeker en vast zijn. In dat nieuwe pensioencontract werkten de beleggingsrendementen op het pensioenkapitaal (inmiddels 1.300 miljard euro) resoluut door in de hoogte van de uitkeringen. Hogere rendementen leverden pensioengroei op, verliezen verlagingen. Minder ouderwetse zekerheid, dus. Dat was de munitie voor succesvolle oppositie binnen de FNV tegen dat akkoord: „Casinopensioen, niet doen!”

Nu komt er een vergelijkbaar pensioencontract: weg zekerheid. Wel meer kans op verhoging dan onder de huidige regels, die de pensioenen voor miljoenen werknemers en gepensioneerden jaren achtereen bevroren hebben, maar een beurskrach garandeert verlagingen. Het is dan ook de vraag of deze stelselwijziging het vertrouwen van de deelnemers herstelt. Pensioengerechtigden houden niet van kostbare risico’s en vrezen beleggingsverliezen meer dan dat ze hoge rendementen koesteren.

Lees ook deze analyse van het akkoord 2010: de onvermijdelijke pensioenrevolutie

Agnes Jongerius in 2011, na topoverleg tussen bonden en bestuur van vakcentrale FNV.

Foto Olivier Middendorp

Op de rem

Het akkoord van 2010 legde een verband tussen het aanvullend pensioen en de AOW-leeftijd. Logisch: de AOW is de basis van het pensioen. Hoe naadlozer die twee op elkaar aansluiten, hoe waardevoller het pensioenstelsel. Het akkoord van 2010 voorzag in een stijging van de AOW-leeftijd naar 66 jaar in 2020. Die voorzichtige stijging kwam tegemoet aan de weerzin van vakbondsleden tegen langer doorwerken, met name in zwaardere beroepen met lagere levensverwachtingen.

Nu willen de partijen de eerder versnelde stijging van de AOW-leeftijd eerst bevriezen en later afremmen.

Lees ook deze column: Is de AOW-leeftijd een politieke draai waard?

De stijging is langzamer dan het kabinet-Rutte III wil. Maar hij stijgt niettemin. Dat is tegen het zere been van een deel van het FNV-kader. Zij klampen zich de laatste weken vast aan de eis van AOW op 66 jaar. Daar zit nu de spanning met het ledenparlement van FNV, de ruim honderd afgevaardigden die het laatste woord hebben. Over dat ‘casinopensioen’ hoor je weinig meer.

Het akkoord van 2010 las als een in beton geperst spoorboekje met afspraken waarvan een aantal later moest worden uitgewerkt.

Nu bevat het akkoord opnieuw geharnast proza. Wel is de uitwerking op meerdere punten (premiehoogte, eerlijke verdeling over generaties) vaag. Bovendien legt het akkoord alle verantwoordelijkheid neer bij een stuurgroep met afgevaardigden van kabinet, bonden en werkgevers. Misschien komen er wel nieuwe onderhandelingen?

Het akkoord van 2010 werd een jaar later aangevuld met een spaarregeling zodat werknemers met zware beroepen eerder konden stoppen met werken. Nu zit zo’n vroeger-stoppen-regeling meteen in het akkoord. Werkgevers betalen geen boete als zij werknemers drie jaar voor hun AOW-leeftijd zelf een AOW-uitkering geven. Deze regeling geldt voor vijf jaar.

Na het akkoord van 2010 wist FNV-voorzitter Jongerius niet hoe snel ze een mandaat van alle leden moest hebben voor het akkoord. Ze schreef een referendum uit. Daarmee passeerde ze het actieve kader, dat gewend was een doorslaggevende stem te hebben. Jongerius kreeg 80 procent van de leden achter zich die de moeite namen om te stemmen.

Nu hoor en zie je dezelfde morrende geluiden in het ledenparlement. Maar ook nu probeert het FNV-bestuur volgende week een voldongen feit te scheppen met een referendum onder alle ruim één miljoen leden.

Antwoorden

Hamvraag is: waarom is er na negen jaar een nieuw pensioen- en AOW-akkoord dat zoveel gelijkenis vertoont met zijn voorganger?

Het simpele antwoord: smeergeld, in de vorm van een meevaller van 4 miljard euro om die vertraagde AOW-leeftijd te betalen.

Het structurele antwoord: de aanleiding, de vergrijzing, is hetzelfde gebleven. Dus de oplossingen ook. De partijen aan tafel hebben grotendeels dezelfde belangen als in 2010: vroeger stoppen (vakbonden), stabiele pensioenpremies (werkgevers) en een kleine pensioenrevolutie met meer individuele keuzes en zekerheid (kabinet). Ze zoeken nog steeds naar consensus, ook al is er gestaakt, ook al klagen de werkgevers over Busker en ook al dreigde minister Wouter Koolmees (Sociale Zaken, D66) een eigen politieke koers te varen als de vakbeweging een compromis afwijst.

Het existentiële antwoord is te herleiden tot de psychologie van angst en verlangen. Maatschappelijke strijd vraagt vroeger of later om oplossingen, ongeacht of dat nu de kosten van de gezondheidszorg betreft, de fiscale aftrek van de hypotheekrente, of de verduurzaming van de economie. Dan blijkt het poldermodel toch nog te werken: als het niet kan zoals het moet, dan moet het maar zoals het kan. Met voor allen water in de wijn.

Want anders dreigt mislukking, net als na 2012. En wat dan? De vergrijzing stopt niet. Voor het politieke en maatschappelijke middenveld plus hun ad-hocgedogers PvdA en GroenLinks, is dit een soort laatste kans. Het middenveld vreest verlamming en erosie van vertrouwen. En dat speelt alleen maar de anti-elite- en flankpartijen in de kaart.