Recensie

Recensie Boeken

Niña Weijers en de ontsnapping aan huisje-boompje-beestje

Niña Weijers Onder de oppervlakte van Weijers’ roman schuilt een onreduceerbare ervaring.

Illustratie Paul van der Steen

Het echte werk begint na het lezen: het reconstrueren van wat er gebeurde in dit boek, wat ervan bleef hangen, hoe dat alles samenhangt. ‘Wat weten we over deze vrouw? Wat weet deze vrouw over zichzelf?’ schrijft Niña Weijers vroeg in haar tweede roman Kamers antikamers, en die vragen blijven gelden.

Wat we na afloop minstens weten, is wat aan de oppervlakte lag, of er direct onder: de vrouw is een jonge schrijfster, een alter ego van Niña Weijers, die min of meer meemaakt wat zij de afgelopen jaren meemaakte. In haar goede vriendin M valt schrijfster Maartje Wortel te herkennen (‘Er moet iets gebeuren’, is het eerste wat M zegt én de titel van Wortels voorlaatste boek) en net als het hoofdpersonage verliet Weijers haar vriend voor een affaire met een vrouw. Dat is het verhaal van Kamers antikamers.

Hinderlijke voorkennis eigenlijk; die hoort misschien ook niet in een recensie thuis, als je uitgaat van de regel dat voor een roman alleen telt wat er in de roman gebeurt. Maar alleen al het gegeven dat Weijers autofictie bedrijft, is belangrijk om te weten. Het is een bepalend mechanisme voor de roman – net als alle vervorming van de werkelijkheid die daarbij komt kijken.

Waar Niña Weijers (1987) als auteur juist vakkundig wist te verdwijnen in haar met lof overladen debuut De consequenties (2014) – die door dat verdwijnen helemaal kon gaan over de ideeën erin, zonder autobiografisch auteursruis – heeft ze daar nu geen zin meer in. Zo is althans de suggestie van het naamloze hoofdpersonage, vroeg in de roman: ‘Het komt me ineens zo kinderachtig voor, personages verzinnen die een conflict moeten hebben, een onmogelijk verlangen, en na wat tegenslagen uiteindelijk berusten of roemloos ten onder gaan.’

Millennialschrijvers

Wat moet de schrijver dán? Je kunt het als lezer gauw genoeg invullen: ze wil vrijheid, iets wilds, iets op het spel zetten. In haar Abraham Kuyper Lezing in 2016 pleitte Weijers voor romans die een ‘onreduceerbare ervaring’ waren – romans die je geweld aandoet wanneer je ze samenvat. ‘Het enige mandaat zou moeten zijn: verkenning. Wie verkent gaat van het midden weg, op zoek naar de randen. En wie verkent gebruikt haar vrijheid, voelt wat die vrijheid is, onderkent dat er verantwoordelijkheid mee gepaard gaat.’

Lees ook de recensie van Weijers’ debuutroman: Een zekere pretentie is De consequenties niet vreemd

Dat klinkt veelbelovend, en het is duidelijk dat die ambitie tot de vorm van Kamers antikamers heeft geleid. Maar de oppervlakkige beschouwer leest daarin ook een roman met een wat beperkte thematiek: een verhaal over de worsteling met de burgerlijke loop der dingen, de wedijver tussen het dwingende huisje-boompje-beestje en daarvan afwijken. ‘Kalm geluk’ is het beginpunt, een tevreden leven met vriend en zicht op voortplanting, maar als de jonge schrijfster daarover wil schrijven, vraagt een gereputeerde oudere collega: ‘Denk je dat wat jij kalm geluk noemt niet eerder een gebrek is aan levenservaring?’

Supermarktavocado’s

Dat wakkert haar vrijheidsdrang aan. Of was er wel degelijk levenservaring? Die veronachtzaamd in herinneringen ligt te wachten, om later storend op te duiken? Is dat kalme geluk er wel? De belangrijkste gebeurtenissen in deze roman zijn overdenkingen. Kamers antikamers is daarom geen boek voor wie geen geduld heeft met zwaarwichtig autofictioneel essayerende millennialschrijvers, die overpeinzing boven levenservaring stellen – een recent Nederlands voorbeeld is Drift van Bregje Hofstede, waaraan Weijers’ vorm en inhoud geregeld doen denken. Lees je de roman oppervlakkig, zo snel als Weijers’ vloeiende zinnenritme je erdoorheen voert, dan concludeer je misschien dat ze weinig nieuws vertelt.

Dan doe je de roman geweld aan.

Want de roman doet ook denken aan het raadselachtige Asymmetrie, de geweldige roman van de Amerikaanse Lisa Halliday die je pas ten volle ging waarderen als je hem uitploos, heroverwoog. Er zitten intrigerende rafels aan Kamers antikamers, beginnend met de terugkerende nadruk dat we een maaksel zitten te lezen. ‘Ik wilde opmerken dat de situatie me aan de film Das Leben der Anderen deed denken, maar die was toen nog niet verschenen’, goochelt Weijers, slim en geestig. Ook de nuffigheid die uit sommige waarnemingen spreekt, valt te wantrouwen: klaagt de hoofdpersoon nou oprecht dat ‘avocado’s en mango’s het hele jaar door in de schappen van de supermarkt lagen’, of is dat voor de vorm? Is de verteller wel betrouwbaar? Oftewel: wat weten we over deze vrouw, en wat weet deze vrouw over zichzelf?

‘Schaamte waarover je kunt praten is hoogstens schaamte light’.

Een paar passages zijn in dat licht het interessantst. De eerste geeft een virtuele geschiedenis weer: waarin de hoofdpersoon met haar partner Daniël een zoontje heeft gekregen en wél dat geconformeerde leven voortgezet heeft. Er liggen zes makrelen in de oven, het is geloofwaardig beschreven, tot er ongeloofwaardigheden insluipen die verraden dat dit kind verzonnen is, dat de schrijfster zich niet helemaal met moederschap kan vereenzelvigen, maar er wel gevoelens bij heeft. De volgende passage is ook zo boeiend: daar vertelt een vriendin over een beschamend voorval op reis. Waarna de hoofdpersoon de boel met een andere vriendin nabespreekt en zij zegt: ‘Schaamte waarover je kunt praten is hoogstens schaamte light, aangelengd met ijdelheid of een drang naar zogenaamde openheid en zelfkennis’.

Herinnering is een hond

Dat resoneert enorm in de passage even verderop, over de jaren waarin de hoofdpersoon als tiener op een eiland woonde – laten we zeggen Curaçao, waar Weijers op die leeftijd woonde. ‘Over het echte conflict, de echte schaamte, kan ik niet schrijven.’ Wat een schaamtevol voorval suggereert. Misschien dit? ‘Op een dag komt ze op het schoolplein en niemand praat meer tegen haar.’ Dat staat er terloops en wordt niet verder uitgewerkt – opvallend genoeg.

Lees ook het interview met Niña Weijers: ‘Ik wantrouw het sentimentele’

Precies dat onuitgewerkte (uit schaamte misschien?) wijst je erop dat het wééfsel van alle verhalen, anekdotes en gedachten in deze roman misschien wel meer zegt dan wat de schrijfster welbewust verkende en in het gelid zette, wat ze doelbewust vervormde. Zoals ook ergens in de roman staat dat het lichaam soms al een kant op beweegt, terwijl het hoofd nog niet weet waarheen. Je moet als lezer zelf de samenhang aanbrengen, invullen en aanvullen. Dat volgens een bekend romancitaat van Cees Nooteboom herinnering is ‘als een hond die gaat liggen waar hij wil’, lijkt zonder dat hij genoemd wordt een toepasselijke associatie, in een boek vol betekenisvolle herinneringen en vervullende honden.

Weijers voegt zich liever naar de werkelijkheid die rafelig en onaf is, dan dat ze zich conformeert aan een narratief dat afgerond maar onwaarachtig voelt. En precies die houding, en de verantwoordelijkheid die die vrijheid met zich meebrengt, is ook het onderwerp van de roman. Zo vorm je Kamers antikamers zelf tot een geheel, tot een rijk boek, gravend zonder dat je precies weet welke schat je zult vinden. Het gaat om het zoeken, om het verkennen, om de onreduceerbare ervaring.