Opinie

    • Ellen Deckwitz

Niet-weten

Ellen Deckwitz

Tegen de zomer is mijn zus’ liefdesleven altijd een heus entertainmentkanaal. Voor het eerst in tijden (ok zes maanden) vindt ze weer eens iemand leuk en omdat ze denkt dat ik geen leven heb doet ze me daar de hele dag door verslag van. Toen ik vanochtend mijn mobiel uit de vliegtuigstand schoof bleek ik voor dertig minuten aan voicemail te hebben, waarin mijn zus vertelde dat ze die nacht haar geliefde een brief had gestuurd en mij voor het gemak maar even in de bcc had gezet. Het epistel was zo mooi dat ik er een beetje chagrijnig van werd en dus ging ik maar bezig met iets anders: beetje schrijven, beetje mailen, beetje wanhopen en tegen het middaguur besefte ik pas nog helemaal niets van haar te hebben gehoord. Meteen pakte ik mijn telefoon.

„Oh, ik had binnen een half uur al een mail terug”, zei mijn zus tevreden.

„En wat vond ze ervan?”

„Ik heb hem nog niet gelezen.”

„HOEZO HEB JE HEM NOG NIET GELEZEN.”

„Kwantummechanica”, zei ze. „Ken je dat verhaal van Schrödingers kat?” Omdat ze weet dat natuurkunde doorgaans op mij hetzelfde effect heeft als narcose vervolgde ze meteen met de uitleg dat dat een gedachtenexperiment betreft waarbij je een kat opsluit in een doos met vergif. Zo lang je de doos dicht laat weet je niet of het dier het vergif heeft gegeten, waardoor de kat, tot de doos wordt geopend, tegelijkertijd dood én levend is.

‘Zolang je het niet weet heb je beide staten, en ook dat is informatie”, besloot ze haar college. Ik had inmiddels een kleine hersenverstuiking.

„Dus eigenlijk”, zei ik, „prefereer je niet-weten boven weten?”

„Niet-weten ís een vorm van weten. Eentje waar ik momenteel heerlijk rustig van word. Voor iemand vallen levert zoveel onrust op dat je soms even moet pauzeren. Anders word je gek, van het afwachten, het interpreteren van appjes, mailtjes, de dagelijkse berekening van kansen. Ik heb vannacht zo heerlijk geslapen. Denk dat ik vanavond een keer haar repliek ga lezen.”

Ik was omvergeblazen en we hingen op. Pas later die dag drong de zwaarte van de vergelijking tot me door. De mail terug was voor haar een doos met daarin een kwetsbaar wezen dat zowel levend als dood was. Ik besefte hoe bedreigend het voor haar moest zijn om weer iemand toe te laten. Zo bedreigend, dat ze het onzekere even verkoos boven uitsluitsel. En zo was dat uitgestelde antwoord meer dan een gedachtenexperiment: het was een tussenplek geworden, een zachte wand waar ze even tegenaan kon leunen voor ze weer verder zou trekken, weer de loopgraven van de liefde in.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.