Vluchtelingen uit Kosovo wachten in maart 1999 in Kukës, Albanie, op eten dat wordt uitgedeeld door een Saudi Arabische hulporganisatie.

Maurice Boyer

Niet de vrijheid waar de Kosovaren van droomden

Terug naar Kosovo Op 12 juni 1999 bevrijdde de NAVO de provincie Kosovo. Toenmalig correspondent Yaël Vinckx en fotograaf Maurice Boyer reisden mee. Twintig jaar later gaan ze op zoek naar de families die ze toen tegenkwamen.

‘Ik ken die man”, zegt Veton Nurkollari. Voor hem ligt een twintig jaar oude foto van een Kosovaars-Albanese familie uit Prizren. Op 13 juni 1999, een dag na de intocht van de NAVO in Kosovo, haalde de vader van het gezin ons na een doorwaakte nacht in een auto van de straat. Die avond sliepen we op de beste matrassen – zijn kinderen lagen zo lang op de grond.

Nu willen we hen opzoeken, alleen zijn we vergeten naam en adres te noteren. We hebben alleen die familiefoto. In een stad met 127.000 inwoners is dat zoeken naar een speld in een hooiberg.

Twintig jaar geleden trok de NAVO Kosovo binnen, na een drie maanden durend bombardement op Servië en de Servische troepen in Kosovo. Zo hoopte het bondgenootschap die troepen te verdrijven en het regime van Milosevic op de knieën te dwingen. Dat lukte, twee dagen voor de intocht tekende Servië de overgave. De slag om Kosovo zou Milosevic’ laatste oorlog worden.

In de weken voorafgaand aan de NAVO-intocht zwierven fotograaf Maurice Boyer en ik langs de rafelranden van de oorlog. Servië deporteerde in die dagen tienduizenden Kosovo-Albanezen. In een onafzienbare stroom kwamen ze de grens met buurlanden Albanië en Macedonië over. Al snel verrezen de eerste vluchtelingenkampen buiten het Noord-Albanese plaatsje Kukës. In een van die kampen ontmoetten we de boerenfamilie Isufi: drie broers met hun bejaarde ouders, vrouwen en kinderen. Het oudste kind was twaalf, de jongste een baby.

We raakten verknocht aan hen. Aan Sami, de oudste zoon die enige tijd in Zwitserland had gewerkt en een beetje Duits sprak; aan Besmik, de driejarige zoon van de middelste broer die iedereen met zijn capriolen vermaakte; aan Fatmire, de echtgenote van de jongste broer in wie we een anti-autoritaire, vrije geest ontwaarden.

Drie matrassen en dekens kochten we voor hen. Maar toen kondigde het einde van de oorlog zich aan en haastten we ons terug naar de Macedonische grens, vanwaar het NAVO-konvooi zou vertrekken. Maurice gaf 170 Duitse Marken om, zo zei hij tegen Sami, bij terugkomst op hun boerderij zaden te kopen.

Op 12 juni 1999 trok het konvooi Kosovo binnen. Die dag reden we door een verwoest land. Gebombardeerde wegen, kapotgeschoten minaretten, in brand gestoken huizen – de flarden zwartgeblakerd wasgoed hingen nog aan de lijn. In de velden lagen dode koeien op hun zij, „met uiers zo groot als skippyballen”, schreef ik destijds. Het maakte grote indruk op ons. Niet in de laatste plaats wegens de mensen die ons te eten gaven, ons onderdak boden, ons hun verhalen vertelden. En vaak vroegen we ons af: wat is er van hen geworden?

Vluchtelingen uit Kosovo worden in maart 1999 gedeporteerd, ze lopen over het spoor naar de grensovergang met Macedonië.Maurice Boyer

Bloeiende trouwindustrie

„Ik kén die man”, zegt Nurkollari nadenkend. Nadat de NAVO-soldaten in Prizren waren aangekomen, rond middernacht, hadden ze in allerijl met rollen prikkeldraad een kampement opgetrokken. De meegereisde journalisten mochten daar niet bij. Dus parkeerden we onze auto’s voor het prikkeldraad en hielden de wacht. Om dronken, verslagen Servische soldaten af te schrikken, draaiden de militairen de loop van een tank zo dat deze over het dak van ons rode autootje stak.

In die toestand had de man op de foto ons de volgende dag aangetroffen. Maar waar is hij nu? Indertijd woonde het gezin in het historische centrum van de stad. Maar ze zouden verhuisd kunnen zijn naar de buitenwijken of naar het buitenland, op zoek naar werk, zoals zoveel Kosovaren. Officieel is 30 procent van de beroepsbevolking van Kosovo werkloos – en dat is nog zonder de verborgen werkloosheid.

In Prizren is het niet veel anders. Ooit kende de stad een bloeiende metaal- en trouwindustrie, – „minimaal drie jurken en kilo’s goud voor de bruid”, grapt een vrouw – maar de fabrieken zijn gesloten en hoewel de etalages nog vol flonkerende jurken hangen, worden de bruidskleden tegenwoordig uit Turkije geïmporteerd.

„Ik weet het!” Nurkollari, directeur van filmfestival Dokufest in Prizren, kijkt verheugd. „Hij lijkt op mijn bakker.” Niet veel later staan we in een bakkerij, waar Ali Magiteva, zo blijkt hij te heten, pardoes een brood uit zijn handen laat vallen en ons in de armen sluit.

Vol verwachting waren Ali en zijn gezin destijds. Vooral zijn oudste dochter, de achttienjarige Vezire, glom bij de gedachte aan de nieuwe toekomst – bevrijd van het Servische juk, beschermd door westerse strijdkrachten en gesteund door internationale grootmachten ging ze een ander leven tegemoet. Anders dan haar moeder en haar moeders moeder, zou ze studeren, werken, reizen.

De studie kwam er: ze ging naar de pabo. Het werk kwam er ook: ze stond voor de klas. Ze bezocht Boedapest en Venetië. Maar de desillusie volgde al snel. Na twee jaar werd ze ontslagen. Daarna kreeg ze geen baan meer, „omdat wij niet de juiste mensen kennen”. En ze mocht alleen naar het buitenland omdat ze door haar huwelijk een Macedonisch paspoort bemachtigde. Haar Kosovaarse vriendinnen krijgen geen EU-toeristenvisum.

De familie Magiteva, in juni 1999. Links, hurkend, vader Ali. Rechts achter dochter Vezire. Naast haar staat verslaggever Yaël Vinckx.
Maurice Boyer
De familie Magiteva, in juni 2019. Rechts achter staat Vezire. De familie woont nog altijd in hetzelfde huis.
Maurice Boyer
Maurice Boyer

„Het is hier net Gaza”, zegt Nurkollari. Van alles wat er mis ging in die twintig jaar na de intocht van de NAVO – internationale grootmachten kwamen hun beloftes niet na, Albanese guerillacommandanten veranderden in op geld beluste politici, corruptie gijzelde de gezondheidszorg, het onderwijs en de rechterlijke macht – is het EU-visumbeleid de grootste teleurstelling. „Dat de EU ons, Europeanen, niet eens wil ontvangen”, zegt Vezire.

Hoewel Kosovo aan de door de EU gestelde criteria heeft voldaan, krijgen de meeste inwoners geen toeristenvisum voor de EU. Werkvisa krijgen ze weer wel. Jan Braathu, hoofd van de OVSE-missie in Kosovo, noemt dat „hypocriet”. Hij schrijft de visumproblematiek toe aan de angst van de EU voor corruptie, criminaliteit en migratie. „Maar je kunt corruptie of misdaad niet door middel van een visaregime bestrijden.”

Door het strikte visaregime kunnen studenten nauwelijks elders kennis opdoen en kunnen ouderen vaak niet hun familie in de diaspora bezoeken. Dat doet iets met de mentaliteit van dit jonge land: bijna 70 procent van de inwoners is jonger dan 35 jaar. Turkije steekt maar al te graag een hand toe. Het biedt studiebeurzen in Istanbul en Ankara aan en investeert in Kosovo in onderwijs, wegen en moskeeën. En die moskeeën raken steeds voller. Toen Braathu hier kwam werken, in 2011, „waren de moskeeën op vrijdagmiddag voor de helft gevuld, met oudere mannen. Nu zitten ze iedere vrijdag vol jonge mensen”.

Ook de dromen van de familie Magiteva werden gefnuikt: vader Ali ging in een laminaatwinkel werken, werknemersverzekeringen kwamen er nooit. Nu is hij zevenenzestig en zonder pensioen, de reden dat hij tijdens de ramadan bijklust in een bakkerij. Dochter Vezire trouwde, trok bij haar schoonfamilie in, kreeg twee kinderen en werd huismoeder, net als haar moeder en haar moeders moeder.

Blerim Isufi in 1999, in een vluchtelingenkamp in Kukës, Albanië.Maurice Boyer

Een laadbak vol meloenen

Twee dagen na de intocht van de NAVO in Prizren reden we naar de grensovergang met Noord-Albanië. Duitse NAVO-soldaten waren druk bezig de explosieven die Servische militairen in allerijl aan het douanehokje hadden gehangen, te ontmantelen. Intussen, achter de slagbomen, zwol de menigte Albanese vluchtelingen aan. Diezelfde nacht begon de uittocht uit de vluchtelingenkampen, alleen gingen de mensen deze keer naar huis.

In de chaos konden we de familie Isufi niet vinden. In plaats daarvan reden we terug met de familie Kolcesi, in een open laadbak, te midden van duizenden en duizenden vluchtelingen. Toen kwamen we na een tocht van twaalf uur bij hun boerderij in Vranic aan, bleek een deel van het huis door Servische soldaten in brand te zijn gestoken.

De familie Kolcesi, in juni 1999, in een open laadbak vanuit het Albanese Kukës op weg naar hun huis in Kosovo.
Maurice Boyer
De familie Kolcesi voor hun huis in Vraniq, Kosovo.
Maurice Boyer
Maurice Boyer

De familie Isufi zouden we enkele weken later in hun gehucht Gadime terugvinden. In tegenstelling tot de Kolcesi’s hadden zij hun boerderij ongeschonden aangetroffen. En al snel reden Sami en zijn broers met een laadbak vol meloenen naar de markt en veegden hun vrouwen de vloeren weer aan. Maar ’s avonds boog Sami zich samenzweerderig voorover: „Kun je een geheim bewaren?” Even later torste hij een loodzware kalashnikov de tuin in. „Kostte maar 170 mark. Daarmee kunnen we ons verdedigen als de Serviërs terugkeren.” Maar het geld was toch bedoeld om zaden van te kopen? Sami haalde zijn schouders op.

Er is veel veranderd in twintig jaar tijd: het gehucht is een dorp geworden, de zandweg is geasfalteerd, en waar eens dode koeien lagen, staan nu nieuwe huizen. De luiken zijn gesloten en de bloemperken zijn leeg, want ze behoren toe aan de omvangrijke Albanese diaspora die hier slechts twee maanden per jaar verblijft, in de zomer. Met hulp van dorpelingen vinden we Sami. Argwanend loopt hij ons tegemoet, zo-even waren er mensen van de protestantse kerk, ze proberen de moslims in Kosovo te bekeren, maar Sami heeft ze van zijn erf gestuurd. Dan legt hij zijn hand op zijn hart; na al die jaren heeft Allah ons teruggebracht!

Net als voor de Magiteva’s waren de vooruitzichten voor de Isufi’s goed – na de bevrijding van Kosovo kwamen er tientallen ngo’s die zich gingen bezighouden met de wederopbouw van het land. Er moesten wegen worden aangelegd, huizen gebouwd, bruggen gerepareerd, scholen en ziekenhuizen opgeknapt. De Isufi’s leken geknipt voor het praktische werk.

Maar ook zij kenden niet de juiste mensen en de lucratieve, vaste arbeidscontracten gingen aan hun neus voorbij. Voor hen bleven de kruimels over, af en toe een tijdelijk contract in de bouw en de landbouw. Fatmire ruilde haar vrije geest in voor een geestdodend baantje op een boerderij. De helft van het jaar plukt ze frambozen en borstelt ze champignons schoon, van acht uur ’s ochtends tot acht uur ’s avonds, voor tien euro per dag. De andere helft van het jaar zit ze thuis.

De familie Isufi in hun tent in het vluchtelingenkamp in Noord-Albanië, maart 1999. Uiterst rechts zit de middelste broer Taher, met zijn zoontje Blerim op schoot. Links, achter de wieg, zit zijn echtgenote.
Maurice Boyer
Taher en zijn vrouw voor het ouderlijk huis in Gadime, juni 1999. Tegenwoordig wonen zij in dit huis.
Maurice Boyer
Maurice Boyer

En net als bij vader Magiteva ontbraken de verzekeringen. Dus toen Sami’s oudste zoon vier jaar geleden op een bouwplaats van de vierde verdieping naar beneden viel, waardoor hij zo’n beetje al zijn botten brak en in coma raakte, stond de familie met lege handen. Het bouwbedrijf wees iedere aansprakelijkheid af en de dokters eisten cash alvorens hem te opereren.

Met hulp van vele verwanten en dorpelingen brachten ze uiteindelijk elfduizend euro bij elkaar. Sami’s zoon kwam bij uit de coma; tegenwoordig werkt hij als bewaker in een grot, een toeristische attractie even verderop. Hij wrijft met zijn hand over zijn been. Hier, in deze koude gewelven, spelen de twaalf schroeven die zijn linkerbeen bijeen houden, regelmatig op.

Niet lang na het ongeluk moest Sami’s oude moeder een nieroperatie ondergaan. Daarna was het geld op. Nu wordt Fatmires mond ontsierd door twee ontbrekende tanden – geld voor de tandarts is er niet – en steken de onaffe leidingen uit de kale muren.

En waar is de kalashnikov? Het geweer ligt op de vuilnisbelt, in stukken. Toen Kosovo in 2008 eenzijdig de onafhankelijkheid uitriep, een stap die door 108 van de 193 VN-lidstaten werd erkend en waardoor de vrees dat de Serviërs zouden terugkeren afnam, ontmantelde de middelste broer Taher het geweer – uit zelfbescherming. „Ik ben nogal opvliegend van aard. Dan is het niet goed om een kalashnikov in huis te hebben.”

Euro’s? Dinars graag

Kosovo mag dan veranderd zijn, in het noorden van het land is de tijd stil blijven staan. Hier, aan de overkant van de rivier de Ibar waar de meeste Kosovo-Serviërs zich hebben verschanst, zijn de winkels leeg, de straten vies en is de hoop vervlogen. Aan deze kant van de rivier wappert niet het blauw-geel van Kosovo maar het rood-blauw-wit van Servië en wordt de koffie niet in euro’s maar in dinars betaald.

Vijf dagen deed de NAVO er indertijd over om Mitrovica te bereiken – de weg lag bezaaid met bommen. Toen wij daags daarna aankwamen, hadden de Kosovo-Serviërs zich al teruggetrokken op de noordelijke oever van de rivier. Op de brug stonden zwaar bewapende NAVO-soldaten die de strijdende partijen uit elkaar moesten houden.

Vandaag staan er weer zwaar bewapende militairen op de brug. Vanochtend is de Kosovaarse politie een aantal huizen in het uiterste noorden, tegen de grens met Servië aan, binnengevallen. De bewoners, Kosovo Serviërs, worden verdacht van smokkel. Sinds Kosovo in november 2018 de toetreding tot Interpol werd geweigerd – een beslissing waarin Kosovaars-Albanese politici de hand van Servië vermoeden – verdubbelde het land de importtarieven voor goederen uit Servië. Sindsdien loopt de smokkel uit de hand.

Bij de invallen zijn zeven Kosovaarse politieagenten gewond geraakt, maar als wij ’s middags arriveren heeft een stortbui de oproerkraaiers al van de straten gespoeld. Eigenlijk had ik Olivier Ivanovic willen ontmoeten, een gematigde Kosovaars-Servische politicus met wie ik indertijd regelmatig afsprak. Maar Olivier is vorig jaar vermoord. Doodgeschoten voor de deur van zijn huis omdat, zo zeggen de mensen, hij de smokkel en het bijbehorende geweld aan het licht wilde brengen.

Hier in het noorden van Kosovo staan Albanezen en Serviërs nog altijd tegenover elkaar. In de meer progressieve steden Prizren en Pristina drinken studenten van Albanese en Servische afkomst – zij het sporadisch – koffie met elkaar. Maar meestal heeft iedere groep toch zijn eigen tafel. Zoals in het uitwisselingsprogramma met Kosovo-Albanezen, Kosovo-Serviërs en Russen. „Waarom zitten jullie niet bij de Serviërs aan tafel”, vroeg een Rus aan een Albanese jonge vrouw. „Misschien moet jij aan je ouders vragen waarom ze Duitsers nog altijd niet mogen”, antwoordde zij.

Portret van Bill Clinton op de Bill Klinton Boulevard. De Kosovo Albanezen zien in de voormalige Amerikaanse president hun bevrijder.
Maurice Boyer
Boetiek Hillary, vernoemd naar de echtgenote van de toenmalige Amerikaanse president, Hillary Clinton.
Maurice Boyer
Maurice Boyer

Koffiebarretjes

Vanuit Mitrovica gingen we twintig jaar geleden uiteindelijk naar de hoofdstad Pristina. Daar troffen we, een kleine week na de NAVO-intocht, naast een jubelende menigte op de Moeder Teresa Boulevard, ook een zwaar beschadigd stadion en een kapot winkelcentrum aan. En Jeton Zenuni.

Jarenlang werkte Jeton als assistent voor diverse media. Hij regelde afspraken voor hen, vertaalde. Wij aten in de keuken van zijn ouders, sliepen in hun slaapkamer. Maar nu we terug zijn kunnen we het huis niet meer vinden. Alles is veranderd: in het winkelcentrum zitten moderne kledingzaken en de Moeder Teresa Boulevard is een wandelzone geworden, met koffiebarretjes.

Na lang zoeken vinden we het appartement van Jetons ouders. Ook hijzelf verschijnt. Nadat de meeste journalisten uit Kosovo waren vertrokken, in de maanden na 9/11, heeft hij zijn studie medicijnen hervat. Tegenwoordig is hij arts in het ziekenhuis van Pristina, gespecialiseerd in bloedtransfusies, maar bovenal is hij betrokken bij de Facebookgroep Familja dhe Shëndeti (familie en gezondheid) waarin Albanezen vragen kunnen stellen aan zo’n tweehonderd Albanese dokters over de hele wereld.

„Het is mijn manier om de gezondheidszorg toegankelijk te maken en corruptie tegen te gaan”, zegt hij. Corruptie waardoor de Kosovaren voor hun medicijnen moeten betalen – niet zelden wint de hoogste bieder – en waar de wachttijden in de ziekenhuizen ellenlang zijn, „terwijl diezelfde dokter om de hoek een privékliniek heeft waar de patiënt de volgende dag al terecht kan”.

Jeton werkt in het ziekenhuis, voor achthonderd euro per maand. Daar kunnen hij en zijn gezin prima van leven in Kosovo. Naar het buitenland, zoals zijn broer en zus, hoeft hij niet. Verbaasd kijken we op. Van de Kosovaren die we de afgelopen dagen ontmoetten, wil het merendeel weg. Maar lang duurt de verbazing niet. Nu ja, zegt Jeton, misschien moeten ze toch gaan, voor hun vier dochters. „Wat zal er met hen gebeuren? Als dit land blijft doen wat het de afgelopen twintig jaar heeft gedaan, zijn mijn meisjes straks niet meer dan het zoveelste waste of talent.”

Welvarende jongeren in Prizren, Kosovo. De kloof tussen arm en rijk is groot, het land gaat gebukt onder corruptie. Vooral jonge Kosovaren dromen van Europa, maar krijgen vaak geen EU-toeristenvisum.Maurice Boyer