Eén blik en gieren van het lachen – was dit vrouwenhumor?

Frustratie Een scène in de trein: een vrouw met veel bagage probeert zo stil mogelijk plaats te nemen naast een medepassagier. Dan komt de conducteur. Waar had ze dat kaartje toch gelaten?

Illustratie Lotte Dijkstra

Ik had ook iets te veel bij me: een rolkoffer, een tas en dan dat kopje thee dat ik beter niet had kunnen willen. Het was winter dus ik moest me, nadat ik me op mijn plaats in de trein had gewrongen, ook nog ontdoen van mijn sjaal, muts en handschoenen. Toen was het opklaptafeltje voor me vol, met bij iedere volgende beweging van mij het gevaar dat de sjaal in de thee zou slierten of de thee over de handschoenen om zou vallen.

Verder probeerde ik de vrouw naast me niet te storen. Mijn elleboog niet in haar gezicht te zwaaien terwijl ik mijn schoudertas afdeed en mijn benen niet tegen haar aan te drukken terwijl ik mijn koffer onder mijn stoel schoof. Misschien mijn jas toch maar even aanhouden, ik was wel een beetje aan mijn limiet van drukke handelingen. Zij zat rustig een boekje te lezen, een elegante vrouw met een witte lok in haar donkere haar, een lange jas aan het haakje naast haar gehangen.

„Vervoersbewijzen alstublieft.”

Eigenlijk was het nu de tijd dat er zachte muziek zou gaan spelen, ik een kussentje kreeg aangereikt om in mijn nek te leggen en zacht lurkend aan mijn thee zou gaan liggen uitrusten van een lange werkdag. Maar eerst dus nog de vervoersbewijzen alstublieft.

Het was een woord dat ik vandaag met mijn buitenlandse cursisten had behandeld, een heel lang woord als je ook ‘kaartje’ kan zeggen. Maar ‘kaartje’ is een ticket en ‘kaart’ is een plattegrond, dus dat moet je dan ook weer uitleggen. De groep had het al moeilijk genoeg met al dat Nederlands. Gelukkig konden we veel lachen. Het waren meestal de mannen die de snelle grappen maakten. Dat viel me op, omdat ik net her en der in interviews en stukjes dat begrip tegen was gekomen, het verschil tussen mannen- en vrouwenhumor.

Een bubbelbad met gigolo, dat was wat ik nodig had, niet een kaartje dat kwijt was in een te krappe trein

Met een gemengde groep die samen moest werken en op nogal wat frustratie stuitte, had ik een goede gelegenheid om voor mezelf uit te zoeken of ik vond dat er verschil was. Er waren per groep meestal twee dominante mannen die de meeste grappen maakten. Dat was onthutsend snel duidelijk. De volgende persoon waar het meeste om gelachen werd, was ik. Mijn weergaloze gevoel voor humor was daar natuurlijk debet aan, maar het kon ook zijn dat mijn positie daar iets mee te maken had. En het feit dat ik het beste Nederlands sprak.

„Hoe zeg je: mag ik je telefoonnummer?”, vroeg mijn Spaanse student. We waren bij het hoofdstuk nummers en gaven antwoord op diepe vragen als: Wat is je postcode, welk huisnummer heb je, hoe oud ben je. Mijn veel te knappe cursist zag hier een mogelijkheid opdoemen.

„Een heel goede vraag”, zei ik net iets te lovend, „heel praktisch ook. Oefenen in context, daar gaat het om.” De groep gaf vrolijke bijval en de Spanjaard mompelde protesterend dat hij alleen maar, je weet wel, gewoon.

Dat soort grappen is werk

Het was geen gillende dijenkletser maar met de juiste timing en intonatie gaf het net die gelegenheid om even de saaie invuloefeningen te ontvluchten waar mijn groep dankbaar op insprong. Het was wel werk, dat soort grappen. Je moest er zin in hebben om steeds op het puntje van je stoel te zitten om er een in te koppen. Dat had ik, als docent omdat ik er belang bij had dat er een ontspannen sfeer was, en blijkbaar hadden de dominante mannen er meer behoefte aan om op die manier zich te manifesteren dan de vrouwen. Waren die snelle inkoppers dan typische mannenhumor?

De conducteur kwam aardig snel dichterbij en ik probeerde mijn tas tussen mijn knieën vandaan te krijgen zonder mijn tafeltje op te lichten en mijn thee om te gooien. Het feit dat ik mijn jas nog aanhad maakte het niet comfortabeler. Hij zat niet in het voorvakje. Hoezo, zat mijn uitgeprinte kaartje niet in het voorvakje? Jaszak. Nee. Binnenvak van mijn tas. Ook niet.

De vrouw naast me gaf haar ov-kaart aan de conducteur met een beschaafd gemompeld excuus dat ze voor me langs ging. Ik mompelde wat terug en bladerde met stijve vingers in de papieren in mijn tas. De conducteur zag het even aan en zei dat hij zo terug zou komen.

De tas wegsmijten, dat zou fijn zijn

Een bubbelbad met gigolo, dat was wat ik nodig had, niet een kaartje dat kwijt was in een te krappe trein. Waarom maakten ze die stoelen ook ieder jaar smaller? En dan de beenruimte! Die rot-rolkoffer kon ik niet eens omhoog krijgen zonder dat ik dat teringtafeltje op moest klappen. Maar natuurlijk maakte ik geen enkel geluid. Mijn ellebogen dicht langs mijn lijf houdend trok ik de rolkoffer naar het zijpad om hem daar open te ritsen en tussen mijn ondergoed naar een uitgeprint ticket te zoeken. Of in mijn lesboeken. Nee. Dat handige vakje dan? Het zweet stroomde nu vrijelijk langs mijn oksels en ik bleef rustig bewegen. Rits weer dicht, koffer weer onder mijn stoel.

Toch weer mijn andere tas proberen. Krijsen, dat zou een prettige afleiding geven, de tas wegsmijten zou ook fijn zijn, of de inhoud door de coupé slingeren. Zat ik niet teveel tegen mijn buurvrouw aan? Stond mijn thee nog recht?

Mijn thee. Onder mijn theekopje lag mijn kaartje. Handig, had ik het meteen bij de hand als de conducteur zou komen. Ik liet mijn adem sissend ontsnappen. Niet hoorbaar natuurlijk. Met net niet trillende vingers propte ik mijn sjaal en handschoenen in mijn tas en hengelde die weer naar de onderregionen. Ik trok mijn jas recht en zat rechtop naar mijn tafeltje te kijken.

Tersluiks wierp ik een blik op mijn buurvrouw die onder al mijn onderdrukt geagiteerd bewegen rustig haar boekje had zitten lezen. Ze keek op en haar ogen gingen ook naar het kaartje.

Lees ook: In de trein ben ik zo’n beetje de enige normale

Ze lachte niet. Ze lachte zo erg niet dat ik begon te grinniken. Nu verspreidde een brede glimlach van het meest onversneden leedvermaak zich over haar gezicht. Onze ogen ontmoetten elkaar en haar koele rust tegenover mijn verhitte wanorde maakten dat we gierend in de lach schoten. Snel onderdrukten we dat rare geluid in deze overvolle treincoupé, maar als schoolmeisjes begonnen we steeds weer te hinniken. Ze wees naar mijn tassen en maakte een gebaar dat mijn beheerste frustratie mimede en ik maakte een gebaar alsof ik mijn tas met mijn tanden verscheurde en daarna weer beleefd glimlachte. Mime is een uiterst ingewikkelde vorm van humor waar ik nooit over nadenk maar die in een stiltecoupé met een vreemde opeens een uitkomst bood.

Gesmoord huilen van het lachen

Was het vrouwenhumor? Ik vroeg me af of als er een man naast me had gezeten, ik dat gevoel had gehad dat ik wist dat we een hele situatie deelden. Het genadeloze multitasken, het extremistische rekening houden met anderen, het ophouden van de schone schijn ten koste van alles en de dierlijke behoefte eronder om naar de maan te gaan huilen van woede. De vreemde vrouw en ik stootten elkaar aan, legden onze handen op elkaars arm en zaten gesmoord te huilen van het lachen.

Misschien hebben vrouwen #veelfrustratie en daarom hebben ze veel humor nodig. En dan doen ze het niet voor een snel grapje, maar dan gaan ze voor een volledig uitgewerkte slapstick.