In 2013 smokkelde een fotograaf van de Syrische militaire politie, schuilnaam Caesar, tienduizenden foto’s van lijken in gevangenissen het land uit. CIJA heeft met informatie uit hun documenten geholpen bij de identificatie. In 2014 werd een deel van de foto’s getoond in het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden.

Foto BRENDAN SMIALOWSKI/AFP

Het Strafhof is verlamd, maar Assads beulen zijn niet veilig

William Wiley Jurist en Oprichter CIJA

Het Internationaal Strafhof staat machteloos in Syrië, maar de roep om gerechtigheid blijft. Een Canadese jurist verzamelt bewijsmateriaal om bij andere rechtbanken toch processen tegen oorlogsmisdadigers te voeren.

Als kolonel bij de 251ste divisie van de Syrische inlichtingendienst was Anwar R. verantwoordelijk voor het neerslaan van de oppositie tegen president Assad. In de praktijk betekende dat vooral het aansturen van de arrestaties – tot zo’n honderd per dag – en de martelingen in een gevangenis in Damascus.

In het Duitse weekblad Der Spiegel vertelt een anonieme Syrische jongen, die in 2012 als veertienjarige in de overvolle kerkers terechtkwam, hoe het er daar aan toeging. Hij was opgepakt omdat hij water had uitgedeeld aan demonstranten. Elke ochtend stuurde zijn bewaker hem naar boven om gemarteld te worden. „Ben je er klaar voor? Of zal ik je moeder neuken?”, vroeg hij het kind, diens smeekbedes negerend. Na ruim vijf maanden kwam de jongen vrij. Hij woont nu in Europa.

Luister ook naar de podcast: is het internationaal recht op zijn retour?

Anwar R. brak later met het Assad-regime en kwam als vluchteling naar Berlijn. Afgelopen februari werd hij daar opgepakt. In een Duits provinciestadje arresteerde de politie ook Eyad A., een collega van Anwar. In Frankrijk werd in dezelfde operatie een derde betrokken Syriër aangehouden. Allen worden verdacht van misdaden tegen de menselijkheid.

Anwar R. is tot nu toe de hoogste functionaris die terecht zal staan voor de gruweldaden uit de Syrische oorlog. Duitsland maakt hiervoor gebruik van het principe ‘universele jurisdictie’: de bevoegdheid die de rechterlijke macht volgens de Duitse wet heeft om processen te voeren over zware misdaden die in het buitenland zijn begaan.

Terwijl de Duitse openbaar aanklager aan het dossier tegen Anwar R. werkte, deed een particuliere organisatie dat ook. Sinds 2011 heeft deze Commission for International Justice and Accountability (CIJA) 800.000 pagina’s aan originele administratie van de Syrische overheid verzameld. Doel is om die te gebruiken voor strafzaken tegen, onder anderen, de hoogste verantwoordelijken binnen het regime van president Assad.

Het berechten van Assad, evenals de kopstukken van Islamitische Staat, zou het werk van het Internationaal Strafhof in Den Haag moeten zijn, maar dat is door Rusland en China buitenspel gezet met hun veto’s in de VN-Veiligheidsraad. En ook in kwesties waar het Strafhof wél rechtsmacht heeft, lukt het vaak niet om solide strafdossiers samen te stellen. Vorig jaar werd door gebrekkig bewijs de Congolese oud-vicepresident Bemba vrijgesproken, in januari kwam ook de Ivoriaanse oud-president Gbagbo vrij. Beide zaken hadden jaren gesleept. Tot nu toe heeft het hof niet één politiek of militair kopstuk veroordeeld.

Uit frustratie over het onvermogen van het Strafhof is CIJA opgericht. Hoewel ook voor hen levensgevaarlijk, verzamelen medewerkers bewijs op plaatsen waar het Strafhof niet kan komen. Op basis daarvan stelt CIJA dossiers samen die worden gedeeld met autoriteiten in verschillende landen, zoals de Duitse aanklagers die Anwar R. en Eyad A. vervolgen.

„We waren net zover dat we genoeg informatie over deze twee hadden om die aan de Duitse autoriteiten aan te bieden, toen zij onze hulp vroegen”, zegt de Canadese oprichter Bill Wiley (55) telefonisch vanuit een geheime locatie ergens in Europa. Om veiligheidsredenen wil hij niet publiceren waar CIJA kantoor houdt.

Wiley is een ervaren strafrechtjurist die eerder werkte voor het Internationaal Strafhof en de tribunalen voor Joegoslavië en Rwanda. Als adviseur was hij betrokken bij de verdediging van Saddam Hussein. In 2011, toen de oorlog in Syrië uitbrak, vroeg de Britse overheid hem om cursussen over mensenrechten voor Syrische activisten te organiseren. Dat vond Wiley niet genoeg.

Waarom was dat voor u niet voldoende?

„Ik wilde iets anders, omdat ik zag dat niemand was voorbereid op strafrechtelijk onderzoek naar de oorlog in Syrië. Al in 2003 of 2004, toen ik voor de aanklager van het Strafhof werkte, ervoer ik hoe weinig een dergelijke overheidsinstelling kan betekenen in lopende oorlogen.

„CIJA heeft 140 medewerkers, van wie de meesten Syriërs en Irakezen. Zij kunnen in hun eigen land documenten en getuigenverklaringen verzamelen. We werken vaak samen met oppositiegroepen. Als zij een positie op het regeringsleger veroveren, dragen ze de daar achtergelaten documenten over aan CIJA-onderzoekers, die ze het land uit smokkelen. De juristen op ons kantoor – bijna allemaal afkomstig uit de Haagse wereld van het internationaal recht – stellen daarmee dossiers samen die gebruikt kunnen worden in een strafzaak. We hebben nu tien zaken tegen het Syrische regime op de plank liggen en zes tegen IS-leiders.”

Waarom slaagt het Strafhof er niet in op deze manier bewijs te verzamelen?

„De mensen die hier werken willen graag iets bijdragen aan de wereld, maar niet meer via een overheidsinstelling als het Strafhof. Er werken daar veel bekwame mensen, maar wij zijn gefrustreerd geraakt door de bureaucratie en het soms slechte leiderschap. Het heeft gewoon te vaak slecht gefunctioneerd. Vooral onder de vroegere hoofdaanklager Luis Moreno Ocampo had je vaak het gevoel dat je niets gedaan kreeg.

„Onder de huidige hoofdaanklager Fatou Bensouda gaat het veel beter. Maar de belangrijkste reden waarom er zoveel problemen zijn, is dat het hof nu eenmaal een instelling van overheden is. Zelfs met de best denkbare leiding en de meest capabele medewerkers kan niet verwacht worden dat het hof alle risico’s op zich neemt die nu eenmaal horen bij het opereren in deze landen.

„Zij kunnen zelf vaak geen onderzoek ter plaatse doen, omdat ze niet worden toegelaten of niet veilig zouden zijn. Ze zijn dus afhankelijk van lokale mensen. Maar als de aanklager die zou willen inzetten, zou de griffie vinden dat die in dienst van het hof moeten treden, waardoor de loonkosten de pan uit zouden rijzen. Het salaris van onze Syrische en Iraakse medewerkers ligt tussen het lokale salaris en dat van het Strafhof in.

„Daarnaast heerst er bij het Hof een angst voor reputatieschade. Ze zijn heel bang om risico’s te nemen, vooral na het mislukken van de processen tegen Bemba en Gbagbo. Al zie ik de laatste tijd ook veel verbeteringen.”

Op welke terreinen ziet u die verbeteringen?

„Er werken steeds meer goede mensen die buiten de gebaande paden durven te treden en beseffen dat je moet optrekken met particuliere organisaties. Zo werken ze nu met Bellingcat [een internationaal burgercollectief dat op basis van openbare informatie misdaden onderzoekt, red.]. Ik denk dat deze pragmatici nu de overhand krijgen, vooral doordat het besef groeit dat het hof zich geen Bemba’s of Gbagbo’s meer kan permitteren.”

Zweden wil een internationaal tribunaal voor IS’ers en hoopt dat Nederland meedoet. Lees het interview met Mikael Damberg, minister van Binnenlandse Zaken

U doet het werk van een aanklager, maar u heeft geen rechtbank. Wie zou Assad kunnen berechten, als hij ooit gearresteerd wordt?

„Dat zou kunnen in een land met universele rechtsmacht, zoals Duitsland, Nederland, Zweden, Frankrijk of Canada. De grote vraag is natuurlijk of Assad ooit gearresteerd wordt. Op de korte termijn zal die vraag niet spelen, maar misschien moet hij ooit uitwijken naar zijn bondgenoten Rusland of Iran. Dan kan hij daar een politiek blok aan het been worden. Ideologisch gezien betekent Assad namelijk niets voor Rusland of Iran, hun steun aan hem is uitsluitend gebaseerd op machtspolitiek. Dus als zij het Westen ooit politiek tegemoet moeten komen, zouden ze hem kunnen overdragen.”

Het werk van CIJA in Syrië en Irak is bijna voltooid. De organisatie draagt nu de Syische dossiers over aan IIIM, het nieuwe VN-orgaan dat is opgericht bij ontstentenis van een tribunaal voor Syrië. Dit orgaan moet de berechting van de hoofdverdachten bevorderen. De dossiers over IS gaan naar UNITAD, het VN-team dat hetzelfde doet voor Irak. In Syrië blijven veertig medewerkers actief, omdat de oorlog voortduurt. Tegelijkertijd breidt CIJA zijn werkterrein uit, naar Libië en Nigeria.

Welke groepen in die landen gaan jullie onderzoeken?

„In Libië gaat het ons om de netwerken van mensensmokkelaars en -handelaren. In Nigeria gaan we met hulp van het leger de misdaden van Boko Haram en Islamitische Staat in West-Afrika onderzoeken. We zoeken samenwerking met de partijen die vechten tegen de partij op wie wij ons richten. Paradoxaal genoeg werken conflictgebieden dus in ons voordeel, omdat we daar partners vinden.”

Het Nigeriaanse leger is zelf beschuldigd van mensenrechtenschendingen.

„Mensenrechtenorganisaties waarschuwen ons voor de risico’s die kleven aan samenwerking met strijdende partijen. Maar we zijn niet naïef. In Syrië hadden we de kans om samen te werken met partijen die we om ethische redenen echt hebben moeten weigeren. Ik ga het Nigeriaanse leger niet verdedigen.

„CIJA is uitdrukkelijk géén mensenrechtenorganisatie. Wij werken in het strafrecht, niet in de mensenrechtenwereld. Dat betekent onder andere dat wij niet alle partijen in een conflict kunnen onderzoeken. Ik werk al mijn hele loopbaan samen met slechte mensen, omdat ze vijandig staan tegenover mijn doelwit. Of het nu in Congo was, in Joegoslavië of Irak. Er is geen alternatief. Anders kom je niet aan het bewijs dat je nodig hebt om het verband aan te tonen tussen de misdaden en de leiders die ervoor verantwoordelijk zijn. Het gaat ons niet om het aanwijzen van slachtoffers. Dat is zoveel makkelijker.

„Wij moeten zorgvuldig opereren en open staan voor kritiek. Human Rights Watch is dan ook altijd welkom om bij ons te komen kijken hoe wij te werk gaan. En niets staat hún in de weg om mensenrechtenschendingen door het Nigeriaanse leger te onderzoeken.”