Een stukje Stork keert terug naar de beurs

Beursgang De IJslandse producent van vleesverwerkingsmachines Marel krijgt vrijdag een beursnotering in Amsterdam. De groei zit voor het bedrijf vooral in opkomende markten.

De machinefabriek van Marel in het Brabantse Boxmeer. Het bedrijf is IJslands, maar produceert veel in Nederland.
De machinefabriek van Marel in het Brabantse Boxmeer. Het bedrijf is IJslands, maar produceert veel in Nederland. Foto’s Merlin Daleman

Een stukje Stork keert terug naar de Amsterdamse beurs. Marel Food Systems, de IJslandse producent van slachtmachines voor de vlees- en visindustrie, is al beursgenoteerd in Reykjavik en krijgt deze vrijdag een tweede notering in Amsterdam.

Dat is een logische keuze, want het hoofdkantoor mag dan in IJsland staan, bijna eenderde van de zesduizend werknemers van Marel werkt in Nederland, bij bedrijven die vroeger deel uitmaakten van Stork. Dat Nederlandse industrieconglomeraat verdween in 2008 na een harde overnamestrijd van de beurs.

Stork werd al sinds 2006 belaagd door activistische beleggers, die aandrongen op opsplitsing van het matig presterende beursfonds. Marel, dat toen alleen nog machines voor de verwerking van vis leverde, meldde zich als één van de eersten voor de koop van een Stork-onderdeel: de divisie die kippenslachtlijnen produceert. Maar Stork wilde die tak helemaal niet kwijt en hield de boot af.

Kostbare gok

Het concern geloofde ook niet in opsplitsing en zocht een koper voor het hele bedrijf. Maar toen het die vond in de Britse investeringsmaatschappij Candover, had Marel op de beurs al een belang van 20 procent in Stork opgebouwd. Geen enkele koper kon meer om de IJslanders heen – zeker niet toen die hun belang later uitgebreid bleken te hebben naar 43 procent.

Dat was een kostbare gok van Marel, dat via een investeringsvehikel 600 miljoen euro (grotendeels geleend geld) investeerde in Stork. Maar de opzet slaagde. Candover kocht heel Stork, inclusief de aandelen van Marel, dat in ruil daarvoor het Stork-onderdeel Poultry & Food Processing mocht inlijven.

Stork verdween in 2008 van de beurs na een hard overnamegevecht. Hoe de IJslanders Stork en zijn opkoper klein kregen.

Daarna ging het hard. Dankzij de overname van de kippenslachtmachines van Stork in 2008 verdubbelde de omzet van Marel, en toen het bedrijf in 2015 nóg een voormalig Stork-onderdeel – Meat Processing Systems – overnam, was de omzet alweer bijna verdubbeld.

Behalve slachtlijnen voor kippen, kalkoenen en eenden levert Marel sindsdien ook machines voor het slachten van varkens, runderen en schapen. Machines voor de verwerking van vis, waar het bedrijf mee begon, leveren nu nog maar 15 procent van de 1,2 miljard euro omzet. De kippenslachtlijnen zijn goed voor de helft van de omzet, de slachtmachines voor rund- en varkensvlees dragen eenderde bij.

De eerste grote overname in 2008 financierde Marel deels met een aandelenemissie. De overname van Meat Processing Systems en een trits kleinere aankopen werden gefinancierd met bankleningen, een obligatie-uitgifte en uit de eigen kasstroom.

Geld ophalen voor overnames

De beursnotering in Amsterdam gaat gepaard met een uitbreiding van het aandelenkapitaal met 15 procent, waarmee Marel deze vrijdag 370 miljoen euro ophaalt. De opbrengst wil het gebruiken voor nieuwe overnames. De markt voor slachtlijnen is op dit moment wereldwijd zo’n 12 miljard euro groot en de IJslanders hebben er pas zo’n 10 procent van in handen.

Marel verwacht met een beursnotering in Amsterdam een grotere groep beleggers aan te kunnen spreken dan alleen in IJsland. Dat lijkt inderdaad zo te zijn: volgens persbureau Bloomberg hadden beleggers vorige week op de eerste dag van inschrijving op alle 100 miljoen uit te geven aandelen ingetekend. Vooraf was duidelijk dat twee grote beleggers ruim een kwart van de nieuwe stukken zouden opkopen: Blackrock doet mee voor 63 miljoen euro en Credit Suisse voor 39 miljoen. De startkoers van 3,70 euro steeg vrijdagochtend direct met 4,1 procent.

Vanwaar dat enthousiasme bij beleggers in een tijd dat juist producenten van vegaburgers voor vuurwerk op de beurs zorgen? Misschien dat de vleesconsumptie in het Westen wat terugloopt, maar wereldwijd groeit de markt voor vlees en vis nog altijd zo’n 3 tot 4 procent per jaar, volgens Marel, en daarmee dus ook de afzetmarkt voor slachtlijnen. Dat komt onder meer door de bevolkingsgroei in Azië en Afrika, waar ook de welvaart nog altijd toeneemt – wat doorgaans ook leidt tot meer vlees- en visconsumptie. Ook verstedelijking is wereldwijd een trend, waardoor meer mensen verwerkt en verpakt vlees kopen.

Meer vlees en vis – dat betekent meer dieren, en meer dieren betekent meer en grotere slachterijen, die snelle en efficiënte productielijnen nodig hebben. De machines van Marel automatiseren het slachten (doden, ontharen, opdelen), verder verwerken (snijden, fileren, ontbenen) en verpakken (marineren, in vormen persen, paneren, voorkoken) van vlees en vis. De kippenslachtlijnen zijn het verst doorontwikkeld; Marel levert installaties die 15.000 kippen per uur kunnen verwerken.

Aan het slachten en verwerken van kippen komt geen mensenhand meer te pas door de machines van Marel. Bij de kippenslachter telt iedere gram.

Wereldwijd haalt Marel eenderde van de omzet uit onderhoud en vervanging van onderdelen, en tweederde uit nieuwe machines en bijbehorende software. Tweederde van de omzet komt uit Europa en Noord-Amerika, eenderde uit de rest van de wereld – waar ook de meeste groei zit. De winstmarge schommelt de laatste jaren rond de 15 procent, waarbij de grootste divisie (pluimvee) ook de hoogste marge oplevert (18 procent).

Marel verwacht op eigen kracht zo’n 4 tot 6 procent per jaar te groeien. Inclusief overnames mikt het bedrijf zelfs op 12 procent omzetgroei per jaar. In het Westen zit de groei vooral in verbetering van bestaande productielijnen, terwijl in opkomende markten op grote schaal nieuwe slachterijen en verwerkingslijnen gebouwd worden. Daar is slachten vaak nog handwerk en is veel winst te behalen met geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerkingslijnen.