Waarom de synthesizer een comeback maakt

Muziek De synthesizer maakt een comeback, ziet . Van het geld dat hij aan zijn eigen synthesizer uitgaf, had hij inmiddels ook een nieuwe auto kunnen kopen.

Illustratie
Illustratie Astrid van Rooij

Neem een goede koptelefoon mee, zeg ik nog tegen de vriend die zich vrijwillig had aangemeld mee te gaan naar Berlijn. Het doel is de Superbooth 2019, een jaarlijkse vakbeurs die bijna volledig is gewijd aan modulaire synthesizers. Hier en daar inprikken met de koptelefoon om eens rustig te luisteren wat de branche te bieden heeft, lijkt vooraf de beste strategie.

De werkelijkheid is bruter. Niks koptelefoon. Alle standhouders zijn van huis vertrokken met het vaste voornemen op te vallen tussen de competitie. Het wapen: eigen speakers. Harder dan die van de buurman. De resulterende geluidsconcurrentie vormt in de gangen en zalen van de Superbooth een overweldigende en oneindige kakofonie. Atonale blieps en fluittonen. Scheurende bassen, dreunende drums. We raden waar de geluiden op lijken. Een headbang met een kerkklok? Een verontwaardigde kalkoen? Een meerstemmig zombiekoor?

Er zijn snoeren en knoppen: draaiknoppen, drukknoppen, schuiven en schakelaars. En vaktaal. Heel veel vaktaal.

Het publiek in deze mierenhoop bestaat uit zo’n duizend merendeels jonge mannen, die zo te zien het innerlijk verkiezen boven het uiterlijk. Vroeger zouden ze zich hebben neergelegd bij het lot van de toetsenist in een band. De nerd, de geek. Er circuleerde op internet zelfs een diagram over.

Zanger/gitarist: drie vriendinnen.

Drummer: twee vriendinnen.

Bassist: één vriendin

Toetsenist: hond.

Kraftwerk, de band van Duitse pioniers die in de jaren zeventig doorbrak was destijds baanbrekend. Maar cool? Nee. Nog in 1998 werd in de culthitfilm The Big Lebowski de verzonnen band Autobahn, een openlijke verwijzing naar Kraftwerk, opgevoerd als een gezelschap van Duitse synthesizer-sukkels dat klunzig een ontvoering in scène zette. „Wér is ze money, Lebowski? We’re gonna cut off your Johnson!

De verzonnen band Autobahn in ‘The Big Lebowski’.

Maar sinds een jaar of tien is de synthesizer als kunstvorm bezig aan een comeback. De revenge of the nerd. In 2012 speelde Kraftwerk in het New Yorkse Museum of Modern Art. En een jaar later in de turbinehal van het Londense Tate Modern: zo’n beetje het hoogst bereikbare in de beeldende kunst. De Nederlander Colin Benders, eerder bekend als Kyteman, treedt op 22 juni aanstaande met zijn synthesizerinstallatie, in het kader van het Holland Festival, op in het Concertgebouw in Amsterdam. Dat is Hoge Kunst, in het gebouw met misschien wel de beste akoestiek ter wereld.

Experimenteel geluid als kunstvorm is herontdekt. Maar waarom nu?

Daarvoor moeten we eerst even terug naar de jaren zestig. Toen ontwikkelde de Amerikaan Robert Moog de eerste kunstmatige, elektrische bron van muzikaal geluid, de ‘synthesizer’. Het ding was in zekere zin primitief. Er was een toongenerator, of oscillator. Het geluid dat die maakte ging door een filter, daarna een versterker en kwam ter wereld via een speaker. Tussendoor bepaalde een ‘envelop-generator’ of het geluid meteen ontstond, of langzaam aanzwelde, hoe hard het werd, en of het daarna meteen stopte of juist wegstierf.

Alle onderdelen, of modules, werden apart in een rek geschroefd, en onderling verbonden met snoeren en stekkers. Moogs gevaarte viel te bespelen met een klavier, waarbij elke toets van links naar rechts een steeds hoger voltage uitstuurde. Dat correspondeerde dan met de toonhoogte die de toongenerator voortbracht. Het alternatief was een apparaat dat acht of zestien signalen opeenvolgend voortbracht en dat bleef herhalen. Met deze ‘sequencer’ kon een melodie in een eindeloze lus worden voortgebracht. Denk aan de bas in het latere ‘I feel Love’ van Donna Summer (trouwens een Moog 960).

Moogs modulaire synthesizer die, als er maar genoeg modules werden bijgeschakeld gerust de wand van een kamer kon bestrijken, klonk fantastisch maar vergde een tophypotheek en twee permanente verhuizers. Daarom ontwikkelde de Amerikaan de inmiddels iconische Minimoog. Alle interne verbindingen waren vast, en er zat een klein toetsenbord aan. Draagbaar, geen snoerentroep. Je hoefde geen technicus meer te zijn om er op te spelen.

Hele albums uit de laptop

De rest is, zoals dat heet, geschiedenis. De synthesizer werd onderdeel van de popmuziek. Hele muzikale episodes hangen soms aan één of enkele iconische types vast. De Minimoog, de ARP of de Prophet in de jaren zeventig. Het bel-achtige geluid van de Japanse Yamaha DX7 die tot vervelens toe de jaren tachtig domineerde, als een Victoriabaars die alle andere vissen verdrong. De Japanse Roland ritmeboxen en synthesizers als de Duitse Access Virus heersten daarna in de dance van de jaren negentig.

Maar naarmate computers krachtiger werden, verdween de synthesizer steeds vaker in de software. Hele songs, albums of dj-optredens worden nu gemaakt in een laptop. Beats, samples, opnames én synthesizer-geluiden.

Dat is ontzettend handig. Maar zo zijn we langzaam wél in een muziekcultuur terechtgekomen waarin de digitale perfectie overheerst. Alles is zuiver, alles is perfect op de tel, alles is reproduceerbaar, herroepelijk en oproepbaar. En waar het nog op vlees en bloed aankomt, daar worden zangstemmen bijgespijkerd, en gitaren, bas, toetsen en drums vastgenageld op een onfeilbaar grid.

Het vroege digitale geweld in de muziek van de jaren tachtig leidde begin jaren negentig tot een ‘unplugged’-rage, waarbij artiesten opeens weer akoestisch optraden. Dat duurde niet lang. Maar ditmaal, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, lijkt de tegenbeweging sterker en weerbarstiger. De recente opmars van vinyl en platenspelers is opvallend hardnekkig. Het trefwoord is ‘analoog’. Terug naar elektriciteit in plaats van elektronica. Naar mechanieken in plaats van bits en bytes.

Vijf jaar geleden dacht ik voorop te lopen bij deze nieuwe trend, die natuurlijk al lang aan de gang was. Toch maakte een zinderend gevoel van uniciteit zich van me meester toen ik eind 2014 de eerste modules kocht van wat de Atoomkoala moest gaan worden: een op maat te bouwen synthesizer die keiharde techniek met aaibare natuur zou combineren. Een synthesizer die vervolgens de wand van een kamer zou gaan beslaan, om uiteindelijk over de Wereld te gaan Heersen.

Er waren twee voorbeelden. Colin Benders, wiens synthesizer toen al een indrukwekkend bouwwerk was en in de tussentijd alleen maar verder is gegroeid. En Tom Holkenborg, alias Junkie XL. De in Nederland veel te onbekende maker van filmmuziek (Mad Max: Fury Road, Deadpool, Brimstone en binnenkort de nieuwe Terminator) heeft in zijn Amerikaanse studio een moedeloosmakend grote synthesizerwand, en omringt zich met een verzameling van zeldzame apparaten waar de echte fanaticus het liefst zijn laatste uren op aarde zou doorbrengen. Holkenborgs YouTube-kanaal Studiotime heeft inmiddels meer dan 100.000 abonnees.

De soundtrack van ‘Mad Max: Fury Road’, met commentaar van Junkie XL.

De Atoomkoala bleek een aardig, maar hongerig beest. Mijn eerste zelfgemaakte toon veroorzaakte een gelukzalige bevrediging, die even hevig was als kort. En een opwindend gevoel achterliet: méér. Ik werd een apparatuurslet, een ‘gearslut’. En laat de modulaire synthesizer zich daar nu bij uitstek voor lenen.

Sinds de Duitser Dieter Doepfer een open source-formaat ontwierp voor modulaire synthesizers, waar iedereen modules voor kon maken is er een ware hipster-industrie ontstaan. Letland tot Spanje, van Amerika tot Frankrijk, Engeland, Griekenland. En uiteraard Duitsland. De ene module is nog aantrekkelijker dan de andere. De meeste kosten ergens tussen de 150 en 600 euro. En zo kijk je voor je het beseft, vijf jaar later naar een nog niet zo heel erg grote Atoomkoala, om er achter te komen dat hij inmiddels de waarde heeft van een nieuwe Fiat 500.

Lees ook dit interview met Tom Holkenborg (Junkie XL): ‘De juiste regisseur kan filmmuziek magisch maken’

Maar, man, man, wat krijg je er veel voor terug. Dagen kun je je onderdompelen in een eigen klankuniversum, uren achtereen luisteren naar de wonderlijke geluiden die nu weer bij toeval zijn ontstaan. En wat is er nog veel te koop. Krekelritmes! Een sequencer volgens de beginselen van Descartes! Het filter van de Polyvox, die veertig jaar terug het Sovjet-antwoord was op de Amerikaanse imperialistische Minimoog! Want ook de synthesizer ontsnapte niet aan de wedijver van de Koude Oorlog.

Uiterst onhandig

Oké, oké: als ik de Atoomkoala aanzet moet hij eerst een kwartiertje met rust worden gelaten, om stabiel te raken. Daarna moet hij gestemd worden, want aanvankelijk is alles vals. En als je na lang inpluggen, draaien en schuiven die fantastische sound hebt gemaakt en je zet hem uit, dan is alles weg. Hij zal bij het aanzetten nooit meer exact hetzelfde klinken. Ook als alle snoertjes er precies zo in blijven zitten. Daarna rest weinig anders dan, onder het luid bezingen van de lof van de analoge wereld, die leeft en groeit en ons telkens weer boeit, alle stekkers overal uit te trekken en opnieuw te beginnen.

Dat klinkt uiterst onhandig. En dat is het ook. Maar vergelijk het eens met het beklimmen van een berg, het opknappen van een oldtimer of het leren bespelen van een cello. Ook onhandig en duur.

Ja, er zal altijd iemand zal zijn die de Everest én de Annapurna bedwong, die in zijn garage een oude Bugatti tot leven wekte of gewoon Yo Yo Ma heet. Het kan altijd hoger, unieker en beter.

Modulaire synthesizers zijn stuk voor stuk uniek. Ze zijn ingewikkeld en omslachtig, op het moedwillige af. Dat heeft deels te maken met het ambachtelijke hipster-karakter – waarom makkelijk doen, als het ook moeilijk kan?

The Solos maken muziek, specifiek gemaakt voor filmtrailers. Lees ook: The Solos maken muziek die van elke treinrit een epische ervaring maakt

Maar denk eens aan het schrijven van een roman op een typemachine, in plaats van een laptop. Geen backspace, geen knip- en plakwerk. Afgezien van good old type-ex of opnieuw beginnen, kan niets worden herroepen. Elk woord, elke zin, moet raak zijn en van te voren overdacht. Misschien zijn we daar ook in de popmuziek wel weer een beetje aan toe.

Rest alleen de leercurve, steil als de noordwand van de Eiger. De vriend komt op de Superbooth 2019 licht gedesillusioneerd terug van een bijeenkomst van een halfuur in het auditorium.

„Mijn god, van de voordracht die ik hoorde begreep ik maar één woord.”

„Welk?”

„Hallo.”

Ik verdiep me intussen in de Voltage Research Laboratory, een nieuwe synthesizer uit Pittsburgh die je met dierlijke kreten belooft terug te voeren naar de ongerepte natuur. Oeh. Twee weken minder vakantie dan maar?