Hiken en afzien, dwars door Corsica

Reizen Wandelen op Corsica is klauteren over bergen, door de bossen. De beloning: een glas kastanjebier.

Foto Franck Guiziou/Getty

Polyfoon gezang klinkt terwijl de zon ondergaat achter de hoge dennen van het gehucht Cartalavonu, net onder bergtop Punta lla Vacca Morta in Zuid-Corsica. Schaduw strijkt over het terras, een kille wind steekt op en waait het lege bierglas om. „Aan tafel”, schalt de herbergierster boven het weemoedige gezang uit. De tafel is een lange dis, gedekt voor de wandelaars van vanavond. Op het menu eerst soep, dan Corsicaanse antipasta, een rijke pasta, Corsicaanse kaas en dessert. „Matig”, recenseren de Franse disgenoten de maaltijd ongevraagd.

De wandelaars lopen de Mare a Mare sud, een vijfdaagse wandeltocht dwars over Corsica, van oostkust naar westkust. Het pad slingert hevig op en neer, want Corsica is ruig en steil. De route voert door lage eikenbossen, omgewroet door wilde zwijnen en bendes halfwilde zwarte varkentjes, daalt af langs majestueuze kastanjebomen, eeuwenoude walnootbomen en verlaten akkertjes tot in slaperige dorpjes met koele kerken en klimt weer omhoog naar alpiene weides vol voorjaarsbloemen. Dagelijkse eindpunt is een nieuwe gîte met koel kastanjebier. Want Corsica ademt kastanjes. Kastanjebrood, kastanjecrêpes, kastanjeworst, kastanjelikeur, alles is castagnu.

Wanneer je met Google Maps inzoomt op de beoogde wandelroute, zie je dat die dwars over een donkergroen bonk land middenin de helblauwe Middellandse Zee voert. De start in havenstadje Porto Vecchio in het zuidoosten van het eiland is nog omgeven door luxe jachten, toeristische winkeltjes en pompeuze villa’s, maar al snel is het verdwalen in de maquis; een ondoordringbare strook lage, stekelige struiken.

De kastanjebomen zijn ziek

Het is afzien, deze eerste klim is meteen de langste en zwaarste van de vijfdaagse. Na maquis volgt eerst een uur kurkeiken, dan een paar uur steeneiken, tot er niets rest dan rotsen met korstmos en stokoude pijnbomen die oorverdovend ruisen in de wind. En ten slotte dat zwaar verdiende glas kastanjebier.

Vorige eeuwen overleefden de Corsicanen op kastanjemeel, als voedingsbron in tijden van nood. Deze eeuw kwijnen de bomen weg. „Onze kastanjebomen zijn oud en ziek”, treurt Annie Filippi van gîte Les Scopos. Die bezet de bovenverdieping van de lokale brandweerkazerne en biedt weids uitzicht over geheel Zuid-Corsica. Ook Filippi voorziet de wandelaars van copieuze gangen, voorafgegaan door charcuterie Corse en afgesloten met gerijpte Corsicaanse kaas en een vijgen-tomatenmarmelade die de nieuwe Franse wandelvrienden uitbundig prijzen. Dat die produits du terroir nog op tafel komen is louter dankzij de ouderen van Corsica, zegt Filippi. „De jongeren, ze doen niets, interesseren zich nergens voor, rapen zelfs de kastanjes niet meer.”

Foto Anthon Keuchenius

Een groep jonge vrouwen zit ’s ochtends vroeg al in het cafeetje naast de bakker, aan de grote weg door Serra-di-Scopamène. Naast hun stoel een kinderwagen, in hun mondhoek een sigaret. Korte brede mannen beitelen verderop aan antieke granieten waterlopen. Ze knikken zwijgend op de vraag of de taal Corsicaans is, waarin ze hardop ruziën boven een oude fontein in restauratie. Doorvragen wordt niet gewaardeerd „Corsicanen zijn gesloten”, zei Filippi al. „Dat komt door de historische rivaliteit tussen families, tussen dorpen. Je zegt beter niet te veel.”

Lees ook: Zo kies je zonder stress de perfecte vakantiebestemming

De dikke, grote kastanjebomen aan het begin van het dorp lijken oeroud. Nadere inspectie: veelbelovende knoppen, maar veel dood hout. Oorzaak is een kastanjegalwespje, via Italië overgewaaid uit China, die al jaren de Corsicaanse kastanjeoogst decimeert. Gelukkig woei ook een oplossing over: een sluipwespje dat zich voedt met de eitjes van de galwesp. Trots toont Filippi dozen waarin minieme wespjes zich tegoed doen aan verzamelde kastanjegalwespeneitjes van vorig jaar. De insectjes zijn duur, Filippi kweekt ze daarom liever zelf. „Het is even werk. Maar na twintig dagen kunnen we honderdvijftig nieuwe wespjes loslaten en hun werk laten doen. Onze bomen herstellen, en geven weer meer kastanjes.”

We verlaten Scopamène en zijn castagnus via een lange afdaling langs gele velden speenkruid, waden door een rivier met kapotte brug. Klimmen langs witte hellingen vol witte Corsicaanse reuzenlelies naar Sainte-Lucie-de-Tallano, waar gedragen Corsicaans gezang opnieuw uit alle deuren klinkt. Rode wouwen zweven boven het stadje, in de gîte druppelen bezwete wandelaars binnen. We krijgen soep, kastanjepaté en een groenteschotel met Corsicaanse schapenkaas die brocciu heet. Een van de uitbaters van de gîte vertelt mopperend dat iedere Corsicaan vroeger zijn eigen groenten verbouwde. „Langs alle paden die jullie vandaag liepen lagen moestuinen en akkertjes. Maar men is lui geworden. Nu is alles verwaarloosd en overwoekerd door eikenbos.”

Al dat eikenbos is wel fijn voor de bendes halfwilde varkentjes die heel Corsica afschuimen. „Natuurlijk zijn die van iemand”, zegt een serveerster in een café halverwege. „Maar die laten we lekker lopen, om het leven niet te compliceren.” Boven de bar van onze laatste gîte zien we de varkentjes terug in de vorm een lange rij hammen en worsten. Herbergierster Angela serveert ze even later als plakjes coppa, lonzo en figatellu op een plankje hors d’oevre dat onze Franse wandelvrienden lyrisch maakt.

Foto’s Anthon Keuchenius

’s Avonds stuit ik in de krant op een artikel dat verhaalt van een kogelregen op de eigenaar van dezelfde gîte. Eigenaar wist te ontkomen, schrijft Corse Matin; een helikopter bracht hem naar het ziekenhuis in de stad. ’s Ochtends wil ik Angela naar het verhaal vragen maar durf niet: er hangt voortdurend een louche taxichauffeur rond. De Franse wandelvrienden weten wel waarom. „Ze hadden vast de maffiabelasting niet betaald.”