Snij er een stukje af

Ewoud Sanders

Heeft de Joodse traditie om jongetjes te laten besnijden sporen achtergelaten in onze taal? Deze vraag diende zich aan nadat Nieuwsuur vorige week onthulde dat besnijdenis onder Nederlandse Joden meestal niet door artsen wordt uitgevoerd.

Het antwoord is ja, deze opmerkelijke oudtestamentische traditie vinden we terug in verschillende uitdrukkingen. Je moet er wel naar zoeken, want we begeven ons hier op het terrein van politiek incorrect taalgebruik.

Van de onderstaande uitdrukkingen zullen de meeste inmiddels niet meer gangbaar zijn, maar sommige worden nog steeds gebruikt. Dat weet ik uit een enquête die ik een keer op internet heb gehouden. Aantal respondenten: ruim tweeduizend. Ook in naslagwerken is het nodige te vinden.

Vanaf het midden van de negentiende eeuw zei men daar wordt een Jodenkind besneden voor ‘het is daar niet pluis’. Het is een Jood of Joodje is gebruikt voor voorwerpen die niet meer ‘gaaf’ zijn of waar een stukje aan ontbreekt. Een respondent schreef: „O, dat is een Joodje: mijn moeder gebruikte die uitdrukking als ze tijdens tafeldekken of afwassen ontdekte dat ergens een stukje af was. Dit vanwege de besnijdenis van Joodse jongetjes; daar was immers ook ‘een stukje af’.”

Een andere respondent schreef: „Dat is een Joodje werd bijvoorbeeld gezegd voor een koekje waar een stukje af was.” In een ander gezin zei men, bij het zien van een gebroken koekje: hé, een Jodenjongetje.

Iets Jood maken is gebruikt voor ‘ergens een stukje afhalen of afsnijden’. „Presenteert men iemand een sigaar, dan wordt wel de uitdrukking gebezigd: maak hem een Jood, snij er een stukje (of het puntje) af”, aldus Joseph Gompers in 1926 in een boekje getiteld De Jood in de Nederlandsche volkstaal. Een (stenen) pijp waar een stukje af was, werd tot in de twintigste eeuw een Joodje genoemd. Woordvorm en betekenis stonden tot 1984 in de Dikke Van Dale, maar zijn inmiddels verwijderd, hoewel dit naslagwerk zegt de woordenschat van de afgelopen honderdvijftig jaar te beschrijven.

Van een armoedzaaier kon men zeggen: hij zit in zijn geld zoals een Jood in zijn voorhuid. Die zegswijze is opgetekend in 1914.

We vinden de Joodse besnijdenis ook terug in een liedje dat door meisjes werd gezongen tijdens het ronddraaien van een springtouw. „Moeder, wat moet ik doen? / Ga de koeien melken! / Moeder ik heb geen schoen./ Trek je vaders laarzen aan./ Moeder die zijn te groot./ Snij er dan een stukje af! / Moeder, dan ben ik een Jood.”

Overigens ben ik ervan overtuigd dat meisjes die dit springliedje zongen, hier niets lelijks mee bedoelden. Dergelijke liedjes (er zijn er meer) kwamen simpelweg voort uit een traditie. Een traditie waar menigeen nu met enige schaamte op terugkijkt.

De uitdrukkingen over besnijdenis maken deel uit van een veel grotere collectie; het Nederlands kent honderden woorden en uitdrukkingen die naar Joden verwijzen. De meeste zijn een stuk negatiever.

Het woord voorhuid zelf is trouwens een leenvertaling van het Duitse Vorhaut. Dat woord werd aan het begin van de zestiende eeuw door Maarten Luther geïntroduceerd in diens Bijbelvertaling. Voorhuid sloeg in het Nederlands snel aan, zowel in Bijbelteksten als in medische verhandelingen. Daardoor raakten de oudere benamingen sloof, voorsloof en oversloof spoedig in onbruik.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders