Met dronebeelden en satellietfoto’s wordt de oorlogspuzzel compleet

openbare digitale bronnen Net nu online bewijsmateriaal langzaam in een juridische context wordt geïntroduceerd, neemt op sociale netwerken de censuur op video’s met een gewelddadige inhoud toe.

Foto’s van een verzamelde menigte op sociale media (boven) konden worden gelokaliseerd door gebouwen te vergelijken met satellietbeeld van de plaats Ajdabiya, Libië. Op die automarkt in de stad werden op 7 september 2017 vijf mensen vermoord. Dit incident maakt nu deel uit van het strafdossier van het Internationaal Strafhof tegen de Libische generaal Werfalli.
Foto’s van een verzamelde menigte op sociale media (boven) konden worden gelokaliseerd door gebouwen te vergelijken met satellietbeeld van de plaats Ajdabiya, Libië. Op die automarkt in de stad werden op 7 september 2017 vijf mensen vermoord. Dit incident maakt nu deel uit van het strafdossier van het Internationaal Strafhof tegen de Libische generaal Werfalli. Foto’s Bellingcat.

Het is 13 november 2017 druk op de markt van Atarib, in het westen van Syrië. Het is een normale maandag – totdat een bom neerkomt in de buurt van het politiebureau. In enkele minuten wordt de stad getroffen door drie luchtaanvallen, de markt wordt verpulverd. Er komen 69 mensen om.

In een oorlog die intussen al meer dan acht jaar voortsleept, worden slachtoffers al gauw gerepresenteerd als anonieme statistieken. Maar van dit bombardement op Atarib zijn alle doden geïdentificeerd. Net zoals bekend is welke bommen werden gebruikt, en op welke seconde precies een daarvan een krater sloeg in de hoofdweg. Die details werden als een puzzel bij elkaar gezocht, met verschillende stukjes bewijs.

Dronebeelden van een lokaal tv-station toonden de vernieling ná het bombardement en konden worden vergeleken met oudere satellietfoto’s. Het materiaal van twee dashboardcams, camera’s in politiewagens, toonde het moment dat het politiebureau onder vuur werd genomen. Aan de hand van op Facebook en Twitter geplaatste video’s en berichten van burgers werd duidelijk op welke locaties in de stad de kennelijke doelwitten zich bevonden.

Al dit bewijs is via het internet toegankelijk, op sociale platforms en andere publieke sites. Het werd daar geplaatst door ooggetuigen en is nu opgeslagen in een online database.

Lees ook het interview met Bellingcat-oprichter Eliot Higgings uit 2018 over de uitbreiding naar Nederland: ‘Wij helpen degenen aan de andere kant’

Dit is een voorbeeld van OSINT, open-source intelligence, het gebruik van openbare digitale bronnen bij onderzoek naar incidenten. Digitale forensische analyse is de afgelopen jaren volwassen geworden. Voor activisten en journalisten zijn de miljoenen video’s die dagelijks worden verspreid belangrijk materiaal bij onderzoeken naar oorlogsmisdaden of mensenrechtenschendingen, van de oorlogen in Syrië, Libië en Jemen tot martelingen in Kameroen en Noord-Korea. Kunnen zulke analyses ook een strafrechtelijk vervolg krijgen?

De juridische wereld went langzaam aan dat idee, vertelt Eliot Higgins, oprichter van Bellingcat, het collectief dat naam maakte met onderzoek naar de MH17-ramp. „Wij denken al enkele jaren dat OSINT bruikbaar is in de rechtszaal”, zegt hij vanuit Londen. Zijn organisatie heeft onlangs een kantoor betrokken in Den Haag om het Internationaal Strafhof bij te staan. Onder juristen was wel een omslag nodig, vertelt hij: „Bij een strafzaak moet het bewijs voldoen in de ogen van advocaten, aanklagers en de rechter. Vindt de rechter het antwoord ‘Dat vonden we op Google Earth’ toereikend? Dat is de discussie.” Het is een uitkomst om via OSINT op afstand digitale vondsten te doen zodat onderzoekers niet naar gevaarlijk gebied hoeven af te reizen, zegt Higgins „Andersom kan ik me voorstellen dat gebruikers van sociale media, die toestaan dat hun posts worden gebruikt, niet staan te springen om in persoon te getuigen in de rechtbank.”

Advocaten en aanklagers zien volgens hem duidelijke voordelen: als de authenticiteit van digitaal materiaal eenmaal vaststaat, is de inhoud onbetwistbaar.

Het ICC gaf in augustus 2017 voor het eerst een internationaal arrestatiebevel uit op basis van digitaal bewijs. Het verdenkt de Libische generaal Mahmoud al-Werfalli van moord als oorlogsmisdaad, waaronder een executie in Benghazi. Het gaat om meerdere incidenten in juni en juli 2017. Op Facebook-video’s is te zien hoe de generaal een tiental mannen in blauwe overalls op straat laat knielen. Zij worden even later doodgeschoten.

Dossier aanleggen

De uitlevering van Werfalli laat op zich wachten. Het onderzoeksteam dat zich voor het ICC bezighoudt met Libië wil meer sociale media opnemen in de dossiers. Belangrijk daarbij is dat er meer video’s worden gevonden, weet Higgins. „Zoveel mogelijk materiaal van zoveel mogelijk incidenten.” Dat materiaal komt van sociale netwerken of wordt ingeleverd bij organisaties zoals de zijne.

Er zijn meer initiatieven zoals Bellingcat. „Er is een aparte plek nodig om de mensenrechtenvideo’s en de analyses te verzamelen”, zegt Hadi al-Khatib over zijn besluit in 2014 de database Syrian Archive te beginnen. De it’er vluchtte in 2011 vanuit Syrië naar Duitsland. Hij bleef via internet in contact met achtergebleven familie en vrienden. „Ik wist dat er verschrikkelijke dingen gebeurden, terwijl het regime propaganda publiceerde. Ik zocht een methode de waarheid bekend te maken.”

De website van Syrian Archive bevat nu een macabere bloemlezing. Video’s zijn gecategoriseerd op locatie en tijd, of thema: wapengebruik, seksueel geweld, marteling van gevangenen. Ook de video’s van het bombardement op Atarib zijn er opgeslagen.

Het materiaal wordt soms ingestuurd door makers, meestal burgers in Syrië. In andere gevallen sporen medewerkers van Syrian Archive het online op en maken met toestemming een kopie. In Berlijn staan drie servers, met daarop de database en back-ups van het forensisch materiaal. „We hebben nu ruim drie miljoen video’s uit Syrië, die teruggaan tot het begin van de oorlog. Daarvan zijn er bijna zesduizend geverifieerd”, zegt Khatib.

Eerder dit jaar lanceerde Khatib een apart archief voor Jemen, en ook Bellingcat begon in mei een nieuw project dat het digitaal onderzoek naar de oorlog daar moet bevorderen. Khatib, wiens organisatie tot nu toe zo’n 150.000 video’s wist te archiveren, noemt het conflict „ondergerapporteerd”. „Dat maakt het nog belangrijker dat we materiaal verzamelen.”

Zo groeien de terabytes aan oorlogsmisdaden gestaag - maar niet als het aan de internetplatforms ligt. Net nu juristen bij de video-onderzoekers aankloppen om advies over OSINT, nemen bedrijven als YouTube en Facebook juist steeds meer stappen om het bronmateriaal te weren.

Opgeschrikt door de online verspreiding van gewelddadige inhoud - zoals dit voorjaar bij de aanslag op moskeeën in het Nieuw-Zeelandse Christchurch - werken nationale overheden aan strengere wetgeving voor de techbedrijven. Inhoud die de ‘huisregels’ over geweld overtreedt, wordt verwijderd, vertelt een woordvoerder van YouTube Nederland over de maatregelen. Daarbij is context belangrijk: „als kijkers voldoende informatie wordt geboden”, kan voor journalistiek of documentair materiaal een uitzondering worden gemaakt.

Het platform zet software in voor het automatisch verwijderen van video’s. Die worden namelijk zo snel op de site geplaatst, dat menselijke controleurs het aantal nieuwe uploads niet kunnen bijbenen.

Miljoenen video’s verwijderd

Khatib betwijfelt of de gebruikte software de aard van het te verwijderen materiaal voldoende herkent. „Die geautomatiseerde systemen ‘zien’ het verschil niet tussen propaganda en terroristische video’s enerzijds, en materiaal dat gebruikt wordt voor onderzoek naar mensenrechtenschendingen anderzijds. Natuurlijk wil niemand dat kinderen online oorlogen bekijken. Maar anderen, die daarmee verantwoordelijk kunnen omgaan, zijn wel gebaat bij toegang tot dergelijke informatie.”

YouTube verwijdert per kwartaal volgens een woordvoerder „miljoenen” video’s. In het eerste kwartaal van dit jaar zaten daar ook tientallen kanalen tussen die door Syrian Archive werden bijgehouden, om nieuwe filmpjes te kopiëren. In april werden nog eens 200 kanalen weggehaald. Een deel van het materiaal dat daar te vinden was, was al gekopieerd naar de onafhankelijke database. En sommige video’s werden door YouTube weer teruggeplaatst. Ook enkele video’s van Bellingcat, waarin analisten hun OSINT-onderzoek uitleggen, moesten herhaaldelijk worden teruggevraagd uit het controle-algoritme. Khatib en zijn onderzoekers vrezen dat veel materiaal, van gebruikers die zij nog niet kennen of incidenten die eerder onbekend waren, ongezien verwijderd wordt.

Khatib: „De sociale media zijn opslagplaatsen geworden voor deze getuigenissen. Dat was onvoorzien. Nu moeten we er voor zorgen dat alles wat we hebben behouden blijft.”

Als de oorlog tot een einde komt, verzucht Khatib, „zal het onmogelijk zijn voor elke burger gerechtigheid te krijgen. Maar er moet in elk geval een plek zijn voor het Syrische publieke geheugen. Dit is hun geschiedenis.”