Recensie

Recensie Theater

De Keersmaeker maakt bouwwerk van dansende lichamen op Bachs Brandenburgse Concerten

Dans, Holland Festival Zesendertig jaar duurde de verloving van choreografe Anne Teresa De Keersmaeker en Johann Sebastian Bach. Met De Zes Brandenburgse Concerten wordt hun huwelijk jubelend voltrokken. Een overzicht.

Ongedwongen De Keersmaekeriaans huppelen is onderdeel van de choreografie De Zes Brandenburgse Concerten tijdens het Holland Festival.
Ongedwongen De Keersmaekeriaans huppelen is onderdeel van de choreografie De Zes Brandenburgse Concerten tijdens het Holland Festival. Foto Anne van Aerschot
    • Francine van der Wiel

Telkens als Anne Teresa De Keersmaeker (58) een choreografie maakt op muziek van Johann Sebastian Bach, komt het verhaal langs: toen de Vlaamse als jonge blom en aspirerend choreografe voor haar studie naar New York ging, had ze twee composities in haar bagage, Violin Phase van Steve Reich en het Vijfde Brandenburgse Concert van Bach.

Reichs compositie werd de basis voor Fase, 4 Movements to the Music of Steve Reich (1982), haar eerste voorstelling na terugkeer in België. Een verbluffende voorstelling, en een klinkend succes, niet alleen omdat het minimalisme in de dans destijds ‘in’ was, maar vooral omdat meteen duidelijk was hoe briljant De Keersmaeker de verschuivende ‘fasen’ in Reichs muziek had geanalyseerd en in beweging had omgezet. Zo briljant zelfs, dat de componist zelf een jaar of tien later alsnog van zijn stoel viel van verbazing.

Misschien zou Bach wel net zo verbluft zijn over de manier waarop De Keersmaeker zijn werk analyseert. Vooral nu zij het, na eerdere creaties op composities voor solo-instrumenten, voor het eerst aandurft haar choreografische opvatting te paren met zijn volle, orkestrale contrapunt in De Zes Brandenburgse Concerten. Zesendertig jaar wachtte zij met het aangaan van deze totale verbinding met oppergod Bach.

Twaalf dansers, vier vrouwen

Het resultaat is haar grootst bezette werk tot op heden, met zestien dansers. Twaalf dansers, vier vrouwen: tien tegen één dat het iets te maken heeft met de twaalf halve tonen in een octaaf en de vierstemmige harmonische opzet van de Brandenburgse Concerten. Willekeurig gekozen zijn de getallen in elk geval niet, nóóit bij De Keersmaeker. Waar andere choreografen op intuïtie werken, is bij haar alles doordacht: de timing van repeterende bewegingsmotieven, de plaats en richting van de beweging in de ruimte, de geometrische vloerpatronen van lijnen, driehoeken, vierkanten, pentagrammen en, vooral, overlappende cirkels en spiralen.

Die minutieuze benadering van Bachs muziek was meteen zichtbaar bij haar eerste ‘Bachcreatie’. Na Fase draaide ze twaalf jaar om de grote barokcomponist heen. Ze werkte met muziek van onder anderen De Mey, Bartók, Ligeti, Monteverdi en Beethoven, met mijlpalen als Rosas danst Rosas, Bartók/Mikrokosmos en Achterland als resultaat.

Bach ten dans vragen

Pas toen durfde zij Bach ten dans te vragen. Toccata (werktitel Bach/Creatie 1993) was een openbaring. Na voorstellingen die vaak thematisch werden gekleurd door een moeizame man-vrouwrelatie, was daar, in het Holland Festival van 1993, ineens een blijmoedig, puur muziekballet. Wat destijds door sommigen met enige psychologie van de koude grond in verband werd gebracht met de blijde verwachting in de bolle buik van de choreografe.

Gezet op composities voor piano solo kan Toccata worden gezien als een vroeg prototype van De Keersmaekers Bach-choreografieën. Zeker het begin, zonder dansers, met alleen pianist Jos van Immerseel achter de (moderne) vleugel op het toneel, en een oplichtende dansvloer. „Luister!”, leek De Keersmaeker te zeggen, „dan zal ik laten zien hoe ík luister.”

Twintig jaar later en een pak ervaring rijker ‒ onder andere met muziek van Mozart, de Tweede Weense School, Indiase muziek en jazz (en daardoor met improvisatie), vroege polyfonie en méér Reich – was het bij aanvang van Partita 2 (2013, op de Partita Nr. 2 voor Viool) pikkedonker in de zaal, voor een nog intensere luisterles. Pas na dat eerste deel betraden de dansers (De Keersmaeker zelf en collega-choreograaf Boris Charmatz) het toneel, terwijl de violiste Amandine Beyer zich juist terugtrok.

Luisterles: muziek is vertrekpunt

Voor De Keersmaeker is muziek altijd het vertrekpunt of, in haar woorden ‘het primaire discours’ waartoe de dans zich heeft te verhouden. Want dat is haar verlangen: de natuurlijke band herstellen tussen muziek en dans, die volgens haar in de laatste decennia is verbroken. Partita 2 was in dat kader weer een ‘luisterles’: de choreografie ontvouwde zich laag voor laag, van individueel lopen tot het doorgeven van frases en het rondwervelen in cirkels en spiralen. Niet alleen legde zij de structuren in Bachs compositie bloot, maar ook háár lezing ervan.

Bach was overigens in 2008 weer opgedoken als één van de componisten in Zeitung. Daar koos ze voor het Ricercare in een orkestratie van Anton Webern, die tonen van de melodie aan telkens een ander instrument toewees. Op een soortgelijke manier verbond De Keersmaeker haar dansers aan instrumenten; een procedé dat zij veelvuldig hanteert.

Daarna was Bach nog tweemaal deel van een muziekcollage, in My Breathing is my Dancing (2015) en Zeitigung uit 2017. In datzelfde jaar werkte de Vlaamse intensief samen met cellist Jean-Guihen Queyras aan Mitten wir im Leben sind/Bach6Cellosuiten. Het repetitieproces werd vastgelegd in een documentaire – teken van De Keersmaekers gegroeide zelfvertrouwen. In Mitten (2019, Gerard-Jan Claes en Olivia Rochette) zien we choreografe, cellist en dansers vergaderen. Gewapend met gekleurde markeerstiften de partituur doorspitten, maat voor maat, noot voor noot bijna, driftig aantekeningen makend, elk accent markerend.

Zo ongeveer moet het ook zijn gegaan met De Zes Brandenburgse Concerten. In plaats van vier maanden studeerden De Keersmaeker en Amandine Beyer, die de muzikale leiding heeft, zes maanden op de partituur en analyseerden baslijnen, frasering en harmonische structuren. Mathematisch monnikenwerk, waarbij ze passages met een emotionele betekenis aangaven met hartjes of cryptische opmerkingen als „tanks in Praag” of „dit is voor naïeve mensen”.

‘Mijn lopen is mijn dansen’

Daarna werd het vocabulaire vastgesteld, uitgaand van De Keersmaekers basisprincipe „my walking is my dancing”, dat hier zelfs voor ongeoefende ogen niet te missen is: het voltallige ensemble loopt van achter naar het voortoneel. Keurig stappend op het ritme van de muziek, met soms een sleeppasje op aangehouden tonen. Op die simpele beweging, die net als het contrapunt horizontaal met verticaal verbindt, creëert De Keersmaeker secuur haar bouwwerk van dansende lichamen, waarvan zelfs de gelukzalige glimlachjes ingechoreografeerd lijken.

In die hechte eenheid van muziek en dans contrasteert de losse ongedwongenheid van het bekende De Keersmaekeriaanse huppelen, zwenken, springen en rollen met de mathematische doordachtheid van de muziek. Maar de parallellie tussen choreografie en compositie overheerst, wat een sensatie van vanzelfsprekendheid veroorzaakt, soms bijna voorspelbaarheid – zoals dat gaat in een harmonieus huwelijk.