Opinie

Studeren wel duurder maar niet beter maken was verkeerd

rentemaatstaf

Commentaar

Gejuich in de mensa. De rente op de studielening gaat dus niet omhoog. Verantwoordelijk minister Ingrid van Engelshoven (Onderwijs, D66) deed maandag het onvermijdelijke: zij trok het wetsvoorstel terug waarin de verhoging van de rentemaatstaf op de studielening stond aangekondigd, nadat haar vorige week in de Eerste Kamer van vele kanten te verstaan was gegeven dat haar wet niet op een meerderheid kon rekenen.
De verhoging van de rentemaatstaf was aangekondigd in het regeerakkoord en primair bedoeld om de overheidsinkomsten aan te vullen. Door de rente op studieleningen niet langer te koppelen aan de rente die de Staat betaalt voor een vijfjaarslening, maar voor een tienjaarslening, zou het rentetarief licht omhoog gaan. Een oud-student met een gemiddelde studieschuld van 21.000 euro zou daardoor in totaal 5.000 euro aan extra rente moeten betalen. De maatregel had de staatskas op den duur (in het jaar 2060) 226 miljoen euro per jaar op moeten leveren. Nodig voor de houdbaarheid van de overheidsfinanciën, aldus Van Engelshoven.
Dat er geen meerderheid in de Eerste Kamer voor het voorstel te vinden was, was min of meer toeval. Toen het voorstel vorig jaar in de Tweede Kamer werd behandeld, stemde de hele coalitie ermee in. Niet zo vreemd ook, omdat het plan al in het regeerakkoord van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie was opgenomen.
Die partijen hadden na een bedrijfsongeval bij de VVD (senator Anne-Wil Duthler werd na een integriteitsconflict uit de VVD-fractie gegooid, maar behield haar zetel) geen meerderheid meer in de senaat. Die ene stem maakte nu formeel het verschil.
Het verstandig van Van Engelshoven om nu deze specifieke verandering, van wat wel het sociale leenstelsel is gaan heten, in de prullenbak te gooien. Waar bij de invoering van het stelsel nadrukkelijk gesteld werd dat de invoering van een leenstelsel gepaard zou gaan met een extra investering in de kwaliteit van het onderwijs (structureel 620 miljoen euro per jaar), ontbrak bij de nu voorgestelde wijziging die link. Studeren zou daardoor dus duurder worden, maar niet beter. Een foute keuze.
Het leenstelsel an sich stond niet ter discussie tijdens het debat in de senaat, althans, niet formeel. Uit de debatten die Van Engelshoven erover voerde, werd duidelijk dat de verhouding aan het verschuiven zijn.
In die zin is het spijtig dat Van Engelshoven het niet op een stemming heeft laten aankomen. De kritiek die senator Alexander Rinnooy Kan (D66) in het debat naar voren bracht („serieuze zorgen”), blijft zo een beetje in de lucht hangen. En dat terwijl de leden van D66 de senaatsfractie dit voorjaar nog opriepen om tegen het wetsvoorstel te stemmen.
De vraag is nu of de steun tegen het leenstelsel als zodanig ook op de helling komt. Feit is dat twee van de vier coalitiepartijen (CDA en ChristenUnie) zich in hun verkiezingsprogramma’s tegen een leenstelsel keerden. Ook GroenLinks, ooit mede-initiatiefnemer van het stelsel, heeft inmiddels de draai gemaakt, zij het met collateral damage: het Tweede Kamerlid dat zonder overleg het initiatief nam tot de draai, Zihni Özdil, is inmiddels uit de fractie gezet.
De financiering van hoger onderwijs is al jarenlang onderwerp van debat. Er zijn talloze manieren denkbaar om onderwijs toegankelijk te houden voor iedereen die daar de intellectuele bagage voor heeft, ongeacht het inkomen van die persoon of diens ouders. Voorlopig is het sociale leenstelsel een juiste route, zeker zolang de opbrengsten van het lenen ten goede komen aan de kwaliteit van het onderwijs.