Opinie

Nooit alles weten

Ellen Deckwitz

Een tijdje geleden schreef ik over het feit dat mijn vader (82), hoewel nog altijd kwiek van geest, fysiek toch wel achteruit gaat. En dat ik hem nu het nog kan met allerlei vragen bestook, zoals hoe zijn eerste tongzoen was, wanneer hij voor het laatst heeft gehuild en hoe ik nou het beste de remblokken van mijn Tesla vervang. Een uur na publicatie belde hij. Oh ja, dacht ik, hij is natuurlijk al vier decennia abonnee van NRC.

„Dus ik lig volgens je stukje binnenkort in de oven,” zei hij, „vandaar dat je laatst wilde weten wat nou eigenlijk mijn lievelingsuitvaartmuziek is.”

„Nou ja, je bent toch wel echt aan het aftakelen hoor. En straks ben je er niet meer.”

„Pip,” zei hij na heel diep te hebben gezucht, „ook al maak je mij nog tientallen jaren mee, je blijft deels in het ongewisse. Ook al beantwoord ik iedere vraag die je me stelt, je kunt nooit alles weten. Ik leef al zo lang. Jij kent me slechts 37 jaar. Er zullen altijd vragen overblijven.”

Hij zweeg even en zei toen:

„En het gaat je misschien niet alleen om kennis. Het gaat je ook om het voorkomen van schuldgevoel. Het is oké, ik heb daar ook last van”, zei hij snel toen ik begon te protesteren. „Na de dood van mijn moeder besefte ik opeens hoe weinig ik van haar wist. Ik was zo bang dat ik haar bij leven het gevoel had gegeven amper in haar geïnteresseerd te zijn geweest, terwijl ze mijn alles was. Ik heb me daar heel eenzaam over gevoeld in de maanden na haar overlijden.”

‘Hoezo was je eenzaam”, mopperde ik. „Je had mij toen toch allang. Waarom heb je er niet met mij over gepraat.”

„Omdat praten ook beperkt. Als je met iemand het gesprek aangaat, word je toch, hoe subtiel ook, iets anders dan jezelf. Vaak meer dan de som der delen, maar dat overschaduwt ook bepaalde aspecten die je met niemand anders kan delen. De eenzaamheid na haar dood kon geen van mijn kinderen opheffen. Dat was gewoon een kwestie van uitzitten. Met verwoorden begint weliswaar verwerken, maar taal kan dat soms ook in de weg staan. Ik moest er gewoon aan wennen dat ik geen moeder meer had. Daar moest ik in mijn eentje doorheen.”

Hij was even stil en zei toen: „En jij straks ook. En nu moet ik je ophangen, ik moet op pad.”

„Waar ga je heen?”

„Dat is geheim. Kan je alvast een beetje oefenen, voor later.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.