Moderne pakhuizen vreten aan ‘maagdelijk’ landschap

Distributieland Het ene megadistributiecentrum na het andere verrijst in Nederland. Is dat erg, die enorme ‘dozen’ naast de snelweg? De landschapsarchitect denkt van wel, de logistieke sector ziet een bloeiende economie.

Distributiecentra rondom Tilburg. Bedrijven bedienen vaak vanuit Nederland de West-Europese markt, bij voorkeur in de zone tussen Rotterdam en het Ruhrgebied.
Distributiecentra rondom Tilburg. Bedrijven bedienen vaak vanuit Nederland de West-Europese markt, bij voorkeur in de zone tussen Rotterdam en het Ruhrgebied. Foto’s Merlin Daleman

Het begint met een stuk akkergrond. Een paar hectares naast een snelweg of spoorlijn, bij voorkeur in Noord-Brabant of Limburg.

Op een dag verschijnt aan de rand van het veld een topman, vergezeld door de lokale wethouder. Symbolisch wordt de eerste paal geslagen. Het bouwbedrijf gaat aan de slag: eerst het skelet, vervolgens het omhulsel. Soms heeft dat een paar kleurtjes – meestal is het grijs. Één ding blijft eigenlijk altijd hetzelfde: zelden zitten er ramen in.

De topman drukt op een grote knop. De champagne wordt ontkurkt. De wethouder glundert: het is zover. Het nieuwe distributiecentrum gaat open. Ook zijn of haar gemeente is nu een ‘logistieke hotspot’ geworden.

XXL-distributiecentra

In Nederland is het aantal distributiecentra de afgelopen jaren sterk gegroeid. Sinds 2013 komt er jaarlijks ongeveer twee miljoen vierkante meter vloeroppervlak bij, na jaren waarin een miljoen de norm was, blijkt uit onderzoek van Buck Consultants International. Het totaal ligt inmiddels op meer dan 28 miljoen vierkante meter.

De moderne pakhuizen worden ook steeds groter. Het aantal nieuwe zogenoemde ‘XXL-distributiecentra’ (meer dan 40.000 m2) groeide van zes in 2016 naar zeventien in 2017. In Nederland staan nu meer dan vijftig van dit soort gebouwen.

De hallengroei – waarvoor ook wel de pejoratieve term ‘verdozing’ wordt gebruikt – is het gevolg van de bloeiende economie en de populariteit van online winkelen. Het zijn de plekken waar webwinkel Zalando pakjes klaarmaakt voor verzending, de Bijenkorf online- en bevoorradingsactiviteiten centreert en logistiek dienstverlener Kuehne + Nagel vrachtwagens vollaadt.

Voortdurend komen er locaties bij. Vorige maand ging het nieuwe gebouw van webwinkel FonQ in Utrecht (22.000 m2) open. Deze zomer neemt MediaMarkt in Etten-Leur een locatie van 55.000 m2 in gebruik. En Primark in Roosendaal breidt uit en zit in 2020 op 86.000 m2.

De groei is in Nederland sterker dan in de rest van Europa. Deels komt dat door een gunstige regeling waarbij de btw op ingevoerde goederen niet betaald hoeft te worden, maar ook door de locatie. „Je zit hier centraal tussen de drie grootste markten van Europa: Duitsland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk”, zegt Remco Buurman van Nederland Distributieland, een organisatie die Nederland moet promoten als logistieke locatie. „En via Schiphol en Rotterdam kan je goederen makkelijk binnenbrengen.”

Bedrijven besluiten daarom vaak vanuit Nederland hun West-Europese markt te bedienen, bij voorkeur in de zone tussen Rotterdam en het Ruhrgebied. Rondom Venlo en langs de rijksweg 58, de ‘Brabantcorridor’, is de toename dan ook het duidelijkst te zien. Tegelijkertijd gaan bedrijven steeds vaker uit ruimtegebrek en vanwege lagere grondprijzen naar andere plekken: zo beginnen ook Zwolle, Arnhem-Nijmegen, Flevoland (met onder andere het Spaanse Inditex, van kledingmerk Zara) en Twente (Europees centrum van Timberland) op te komen als grootschalige logistieke locaties.

Landschap

Niet iedereen is blij met deze ontwikkeling. Grote distributiecentra komen het laatste jaar vooral negatief in de media. Tegenstanders zien symbolen van uit de hand gelopen consumentisme, die Nederland het aangezicht geven alsof ergens een gigantische kast met dozen is omgevallen – terwijl de activiteiten van distributiecentra de binnenstedelijke winkelstraat óók al om zeep helpen. Dagblad De Limburger sprak zich begin april in een hoofdredactioneel commentaar fel uit tegen de trend. De bekende landschapsarchitect Adriaan Geuze probeert het debat in verschillende media aan te wakkeren: welke kant willen we op met het landschap, in een land dat al behoorlijk vol is?

Inmiddels heeft het College van Rijksadviseurs – een orgaan dat de overheid gevraagd en ongevraagd adviseert over ruimtelijke kwaliteit – besloten tot een (ongevraagd) onderzoek: een architectenbureau en een onderzoeksbureau zoeken uit waar distributiecentra liggen, welke er nog in de pijpleiding zitten en wat de komst betekent voor de omgeving. En misschien nog wel het belangrijkst: of de overheid strengere regels moet opstellen.

„We zien dat deze dozen een toenemend probleem zijn”, vertelt landschapsarchitect Berno Strootman, een van de drie leden van het College. „Omdat ze zo groot zijn, passen ze niet op bestaande bedrijventerreinen. Voor elke doos worden nieuwe stukken maagdelijk landschap aangesneden. Vervolgens vallen ze heel erg op en vormen bijvoorbeeld barrières voor recreatieroutes tussen stad en buitengebied.”

Hij wijst als voorbeeld op Tilburg: dat kent op dit moment aan de randen veel nieuwe distributiecentra van onder andere Tesla en Coca-Cola – en er zijn nog meer plannen.

Gemeenten en provincies stellen volgens Strootman op dit moment maar weinig eisen aan distributiecentra. Inderdaad zien wethouders met economie in portefeuille ze graag komen, omdat laaggeschoolde inwoners er makkelijk aan het werk kunnen: een bestuurlijke droom, want arbeidsplaatsen voor hen creëren is vaak lastig.

Dat er ook veel Oost-Europese arbeidsmigranten in distributiecentra werken, doet daar niet aan af. Cijfers hierover ontbreken, net als over het totaal aantal arbeidsplaatsen in de centra.

Misschien zal uit het onderzoek van het College blijken dat strenger gekeken moet worden naar zaken als omvang en concentratie, zegt Strootman. Dat je bijvoorbeeld op provinciaal niveau een paar clusters uitkiest. „Als iets economisch van betekenis is of naast de snelweg ligt, betekent dat niet dat je er weinig eisen aan hoeft te stellen. Ook daar beleven mensen het landschap.”

Niet pittoresk

De sector zelf kijkt er iets anders naar. Spreek je met een logistiek consultancybureau of een vastgoedontwikkelaar, dan hoor je juist dat de snelwegberm al nooit echt het meest pittoreske gebied was. Dat distributiecentra echt niet middenin landelijk gebied komen. En dat het initiatief veelal bij de overheden ligt. Zíj hebben vaak een terrein in gedachten voor grote bedrijven, en koesteren de logistieke koploperspositie in Europa.

Remco Buurman van Nederland Distributieland: „We willen allemaal graag economische activiteiten en leven zoals we nu leven. Maar we willen er ook zo min mogelijk last van hebben en zoveel mogelijk groen zien.”

Wat vindt hij zelf eigenlijk van de gebouwen? „Ik ben inmiddels wel beroepsgedeformeerd, de meeste vind ik wel mooi. Vooral de nieuwste. Er wordt steeds vaker moeite gedaan om een gebouw neer te zetten met aandacht voor de omgeving, bijvoorbeeld door er een groenstrook met wilde bloemen omheen aan te leggen. Maar uiteindelijk zijn het wel grote dingen, ja. Ik loop in het weekend ook liever door het bos dan in een industriepark.”

Echt tégen een onderzoek naar de impact van de groei is hij dan ook niet. „Maar ik denk dat er vooral een uitdaging ligt om mensen duidelijk te maken wat ze eraan hebben dat deze activiteiten plaatsvinden.”