Opinie

    • Marcel van Roosmalen

Hooikoorts

Marcel van Roosmalen

Ik kreeg een hooikoortsaanval in de stoptrein. Twintig keer krachtig niezen in drie minuten. Geen zakdoek, handen onder het snot. De vrouw tegenover leefde mee. „Gezondheid.” „Dank u wel.”

„Gezondheid.”

„Dank u wel.”

„Gezondheid.”

„Ja, laat maar.”

Toen het klaar was haalde ze een pakje papieren zakdoekjes uit haar tas, hetgeen erg aardig was. Ze zei dat haar dochter vroeger ook hooikoorts had gehad. Haar hoofd was helemaal opgezwollen en haar ogen jeukten dusdanig dat ze niet kon ophouden om erin te wrijven, waardoor het oogwit rood kleurde en ze niet meer naar school had gedurfd zonder zonnebril, maar dat ze die in de klas niet had mogen ophouden.

Stomme regel.

Wat ik daar, als medepatiënt, van vond?

Ik vond niets.

Ik zei dat het mijn ervaring was dat je bij jeuk maar beter niet kon krabben of wrijven, het werd er nooit minder van.

Zij begon over de hooikoortspoli bij een ziekenhuis in Haarlem. Haar dochter was er geweest. Als je ’s winters begon met om de twee weken een injectie halen had je in het voorjaar nergens last van.

Ik zei dat ik niet in Haarlem woon en dat het me te veel moeite was.

„Het lijkt nu erger dan het is.”

Weer zo’n aanval. Zeven of acht niezen achter elkaar. Ze zei: „I rest my case.

De conducteur kwam.

Ik moest weer niezen.

Ze zei tegen de conducteur: „Meneer heeft hooikoorts, maar hij hoeft niet behandeld.”

De conducteur had alle tijd voor een praatje, zo druk had hij het nou ook weer niet. Zij begon weer over haar dochter die vorig jaar geen zonnebril op had gemogen op school, maar dat ze dit jaar nergens last van had omdat ze in de wintermaanden om de twee weken een injectie was gaan halen in Haarlem, want daar was een speciale poli. De conducteur vond dat mensen met hooikoorts niet mochten autorijden.

„Levensgevaarlijk.”

Zij: „Tenzij ze er in de winter voor behandeld zijn. Mijn dochter heeft nergens meer last van, maar als meneer in een auto had gezeten was hij al drie keer uit de bocht gevlogen.”

Na Zaandam kreeg ik nog een keer een aanval.

„Meneer heeft hooikoorts”, hoorde ik haar tegen de nieuwe meneer naast me zeggen.

Ik snoot mijn neus.

Zij: „En dat was alweer mijn laatste zakdoek...”

Het interesseerde de nieuwe meneer verder niets, maar ik heb het hem toch verteld dat haar dochter met injecties was behandeld bij een hooikoortspoli in Haarlem.

Marcel van Roosmalen schrijft op deze plek een wisselcolumn met Ellen Deckwitz.