Hollywood aan het Spaarne

Nederlandse filmgeschiedenis Een eeuw geleden was Haarlem het centrum van de Nederlandse filmindustrie. Daar is bijna niets meer van over. Een nieuw boek, Haarlem filmstad, haalt herinneringen op aan het rijke filmverleden.

De gemeente Haarlem besloot in 1988 filmfabriek Hollandia te slopen.
De gemeente Haarlem besloot in 1988 filmfabriek Hollandia te slopen. Foto Haarlem filmstad.

Vrijwel niets in Haarlem herinnert aan het ooit illustere filmverleden, de tijd dat de stad ervan droomde Hollywood aan het Spaarne te zijn. Al wat resteert van Haarlems filmcultuur zijn stemmige zwart-witfoto’s, wat oude filmposters en vergeelde krantenberichten. Ze verluchtigen de korte hoofdstukken in het kloeke koffietafelboek Haarlem filmstad, dat het rijke filmverleden van Haarlem vastlegt.

Twee tentoonstellingen sluiten daarbij aan. Die in het ABC Architectuurcentrum gaat vooral over de (verdwenen) Haarlemse bioscopen. De andere tentoonstelling in het ernaast gelegen Museum Haarlem gaat over de filmcultuur in bredere zin en schenkt onder meer aandacht aan filmbedrijven, lokale regisseurs en de fraaie filmaffiches van Haarlemmer Frans Bosen.

Dat Haarlem voor de Tweede Wereldoorlog ruim een decennium flink meetelde, dankt het aan de gewiekste zakenman Maurits Binger, een charmante ritselaar die van film hield. Binger opende in 1912 Filmfabriek Hollandia. Hollywood was zijn lichtende voorbeeld: een continue productie van films verdeeld over verschillende filmgenres en met heuse sterren in de hoofdrol. Hij kwam een heel eind. Tussen 1912 en 1923 maakte zijn studio rond de zestig films, een in de Nederlandse filmgeschiedenis ongeëvenaarde productie. Binger was in die tijd goed voor 72 procent van de gehele Nederlandse filmproductie. Hij bestierde zijn studio vanuit een herenhuis aan het Spaarne en filmde in een nabijgelegen studio, maar ook rondom Haarlem.

Hij hoopte dat films met klompen, molens en bollenvelden het goed zouden doen in het buitenland, wat deels bewaarheid werd. Hoe vaak de films aan het buitenland zijn verkocht is echter speculatief omdat de boekhouding van Hollandia verloren ging. Maar er zijn Franse advertenties bekend en Een Carmen van het Noorden (met Annie Bos) draaide bijvoorbeeld in Amerika als Carmen of the North. Acteurs in klederdracht deden het ook goed, zoals de Mijntje en Trijntje-reeks, met actrices die in Zeeuwse of Volendammer kleding bijvoorbeeld naar Zandvoort gaan en daar veel bekijks trekken.

De grootste ster van Filmfabriek Hollandia was Annie Bos, Nederlands eerste echte filmdiva. Volgens Harry Hosman, samensteller en hoofdauteur van Haarlem filmstad, „sprak uit haar oogopslag levenslust”. Annie Bos verdiende bij Hollandia 1000 gulden per maand, voor die tijd een ongekend bedrag. Ze speelde tot 1920 in vrijwel elke Hollandia-film, totdat Binger ging samenwerken met wat Engelsen om zijn studio te redden. Een Britse regisseur vond Bos te oud, waarna zij op slechts 33-jarige leeftijd zonder veel fanfare bij Binger vertrok. Geld voor een afscheid was er niet.

In die tijd was al duidelijk dat Hollandia het niet zou redden, grotendeels door toedoen van de Eerste Wereldoorlog, toen de export van Europese films instortte, maar ook door verkeerde inschattingen. Hollandia hield het nog vol tot 1923, waarna een deel van Bingers productiebedrijf overging in Filmfabriek Polygoon, bekend van de bioscoopjournaals met sonoor (lees: oubollig) commentaar van Philip Bloemendal. Net als Binger met zijn couleur locale was Polygoon niet vies van nationalisme en lofzangen op het Koninklijk Huis.

Haarlem is trots op zijn filmverleden, maar die trots is vooral gebaseerd op de vooroorlogse periode, met name de slechts tien jaar durende succesjaren van Filmfabriek Hollandia. Zeker toen Polygoon in 1957 naar Hilversum trok, veranderde Haarlem op filmgebied in een doorsnee provinciestad. Net als in andere steden werden in de jaren zeventig en tachtig, toen het filmbezoek door concurrentie van televisie snel afvlakte, buurtbioscopen afgebroken en grote filmtheaters omgebouwd tot winkels. Zo transformeerde het Frans Hals-theater, waar ooit de softpornofilm De herberg der vurige deernen draaide, tot een gereformeerde kerk; het kan verkeren.

De gemeente liet een gouden kans schieten om goede sier te maken met het glorieuze vooroorlogse filmverleden. Ondanks protesten besloot de gemeente Haarlem in 1988 Filmfabriek Hollandia te slopen. Het herenhuis van Binger werd een kantoorpand, maar zijn studio in de nabijgelegen Antoniestraat maakte plaats voor nieuwbouw. Volgens de gemeente had het pand, de laatst bestaande opnamestudio voor stomme films op het vasteland van Europa, geen historische waarde. Over de sloop van Bingers studio geen woord in het boek Haarlem filmstad, noch op de twee tentoonstellingen. Nostalgie naar vroeger overheerst, de goede oude tijd van voor de Tweede Wereldoorlog toen Haarlem op filmgebied nog wat voorstelde.

Op de tentoonstelling met foto’s van de oude bioscopen en hun (meestal) fraaie interieurs halen Haarlemmers spontaan herinneringen op aan de tijd dat er meer bioscopen en filmtheaters in Haarlem zaten dan het huidige Pathé-multiplex en filmhuis De Filmschuur. Zoals Cinema Palace - ‘het Tuschinski van Haarlem’ - , Luxor en het Lido dat een met 240 lampjes verlicht sterrenplafond had.

Haarlem is volgens auteur Hosman na Amsterdam wel de stad waar tegenwoordig de meeste filmopnames plaatsvinden. Maar de ironie wil dat Haarlem, waar opnames goedkoper en makkelijker te realiseren zijn dan in de hoofdstad, vaak stand-in is voor Amsterdam. Voor de historische film Kenau uit 2014, nota bene over het beleg van Haarlem, werd Haarlem in een filmstudio in Boedapest minutieus nagebouwd. Een bedrijvig Hollywood aan het Spaarne wordt Haarlem nooit meer, die tijd is voorgoed voorbij.

Haarlem filmstad - Harry Hosman (samenstelling). Lecturis, 2019. 35 euro. In het ABC Architectuurcentrum in Haarlem is nog tot 16 juni een tentoonstelling te zien over de oude Haarlemse bioscopen. In het ernaast gelegen Museum Haarlem is t/m 24 september de Haarlemse filmgeschiedenis te zien.