Martine Bijl, meester van de ironie

Zap In een omgeving waar grappenmakers hun schaterlach zelf maar inzetten, bleef zij rustig. Een comédienne die begrijpt dat mensen zelf wel bepalen of ze ergens om lachen.

Waren maar meer mensen op televisie zoals Martine Bijl, dacht ik maandagavond toen de herdenkingsmomenten ter ere van de op Hemelvaartsdag overleden veelkunner zich aaneenregen. Want in een omgeving waarin de meeste grappenmakers voor de zekerheid hun verhoopte schaterlach zelf maar inzetten, bleef Bijl rustig en geestig, een comédienne die begrijpt dat mensen zelf wel bepalen of ze ergens om lachen.

‘Het ging de laatste maanden helemaal niet goed”, zei André van Duin in RTL Boulevard zonder pathos of omhaal over de laatste maanden van de drie jaar geleden door een hersenbloeding getroffen Bijl. Van Duin was ook te zien in het NOS Journaal en in M. In dat laatste programma noemde hij Bijl ‘een taalvrouwtje’. Dat verkleinwoord was jammer, want in het vervolg kwam de overledene naar voren als een taalvrouw van allure – en als een meester van de ironie. Ook als iemand bij wie relativeringsvermogen vaak voor bescheidenheid is aangezien.

„Ze ontroerde omdat ze niet op het melodrama speelde”, zei Cornald Maas in dezelfde uitzending. Datzelfde gold in zekere zin voor het gesprek in M. Hoewel er bij een beroemde dode alle kansen zijn om het gemoed van de kijker aan te spreken, hoedde Margriet van der Linden zich voor tranentrekkerij – haar volslagen gebrek aan sentiment is een bepalende karaktertrek van het programma aan het worden. Wat natuurlijk zeer Bijls is.

Geweldig vond ik de anti-carnavalskraker ‘Limburgs klaaglied’ uit 1977, over een halfbloed in het zuiden die maar moeilijk kan wennen aan het carnaval, maar zich uiteindelijk voor haar vader aansluit bij de optocht: „Dapper blazend op mijn toeter van papier.” Een onderkoelde regel die naadloos aansluit bij de kop van een interview dat ook werd aangehaald: „Bij mij rekent nooit iemand ergens op.”

Behalve Bijl zelf dan, bleek uit de herhaling van een speciale aflevering van Opium (Avrotros) uit 2013, waarvoor NPO1 terecht ruimte had gemaakt. Daarin kwam echtgenoot Berend Boudewijn uitgebreid aan het woord. Bijl was een perfectionist, kon zich lang nerveus maken voor een optreden. Meer dan om kritiek ging het haar om „wat ze er zelf van vond”. Het leidde er ook toe dat als Bijl eenmaal iets kon, ze op zoek ging naar iets nieuws. „Dat is de houding van de kunstenaar”, constateerde interviewer Cornald Maas.

Boudewijn had het ook even over de jarenlange reclame die Bijl maakte voor groenteconservengigant Hak, die volgens hem meer reclame voor Martine Bijl was dan voor boontjes. Zijn gelijk bleek uit een spotje waarin de potten perziken aan de man werden gebracht met de onvergetelijke woorden: „Als ik zo’n huidje had, ging ik ook achter het raam zitten.”

NPO Extra 1 bracht Martine van toen, een compilatie van oud werk. Daarin had Bijls braafste verschijningsvorm de overhand – al was er een geweldige zangbattle-avant-la-lettre over Amsterdam met de oude John Kraaijkamp.

Wat opviel was dat de Bijlduiding – afgezien van Simone Kleinsma in de Opium-herhaling – geheel in mannenhanden was. Nu had de charme van Bijl een zeker one-of-the-guys-stoerheid, maar dit was een beetje overdreven.

In Pauw las Jan Slagter, die haar vroeg voor Heel Holland Bakt, een stukje voor uit Bijls autobiografische boek Rinkeldekink over het moment waarop ze na haar hersenbloeding met een hoogwerker waterpas uit haar huis werd getakeld. „Ik wiegde in mijn allerstilste eentje in de lucht, als Mozes in zijn mandje […] ‘Heel Holland zakt’ zei ik tegen de ziekenbroeder.” Een taalvrouw in elk woord.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.