Opinie

Zelfs piloten minderen kerosine voor de sport

Maxim Februari

Deze dagen overweeg ik de aanschaf van een T-shirt met opdruk. ‘Zeg nee tegen sport’, moet erop staan. Just say no to sports. Kennelijk bestaat er een club ter promotie van anti-sport bewustzijn - en die verkoopt ze. Op het shirt zie je twee jonge mensen een krachtdadig gebaar met hun armen maken. Nee! zegt het gebaar. Ga van mij Satan. Vlieg een eind op met je sport.

Had ik eerder geweten dat er zoiets was als een anti-sport beweging, dan had dat mijn leven een stuk minder eenzaam gemaakt. Bij onderzoek blijkt het te wemelen van de initiatieven. Anti-sports Awareness. The Anti-sports League. En hoewel de meeste bezigheden bestaan uit de verkoop van T-shirts, koffiemokken en placemats, is er ook wel een meer serieuze onderbouwing van de anti-stemming. Daar wordt het interessant, zij het precair; een geinige koffiemok verkopen is één ding, maar serieus ergens tegen pleiten is een heel ander balspel.

De meeste mensen zeggen namelijk ja tegen sport. De wereld is radicaal pro. Als je ervan uitgaat dat er vier manieren zijn waarop wij de menselijke cultuur en beschaving vormgeven – wetenschap, kunst, religie en sport – dan lijkt alleen de laatste volslagen immuun voor kritiek. Sport, luidt de algemene consensus, is heroïsch. In de beoefening van je sport train je deugden als vasthoudendheid en solidariteit. Sport toont de mens op zijn best.

Ruim tien jaar geleden realiseerde de Engelse sportwetenschapper John Bale zich dat deze pro-sentimenten wel erg dominant waren. Vandaar zijn boek Anti-sport Sentiments in Literature. Batting for the Opposition, waarin hij tegengeluiden besprak die in de heersende cultuur grotendeels worden genegeerd. Hij vond literaire teksten waarin sport niet staat voor heldendom, maar voor narcisme en politieke repressie. Het voordeel van literaire auteurs is dat ze niet allemaal vreselijk atletisch zijn; wie eeuwig verliest en achterblijft kan een heel eigenzinnig perspectief op sport ontwikkelen. Tijd dus om de tegenstand serieus te nemen en een T-shirt met opdruk te kopen. Op dit moment kan ik ook niets krachtigers ondernemen, want op advies van een fysiotherapeut heb ik oefeningen gedaan met gewichten, en ik kan u wel zeggen dat ik daar heel minnetjes van ben geworden. Overal pijn en nergens energie: de juiste stemming om te kijken naar de schaduwzijden van sport. Naar het fysieke narcisme. Maar vooral ook naar het competitieve element, het spelelement, dat niet altijd zo speels is als het lijkt. De beste reden om nee tegen sport te zeggen komt van de Indiase econoom Kaushik Basu, voormalig hoofdeconoom van de Wereldbank. In een boek dat vorig jaar is verschenen, The Republic of Beliefs, geeft hij voetbal als voorbeeld van willekeurige competitiedrift. Dat boek gaat over de werking van normen en wetten; sommige daarvan, zegt Basu, zijn in het leven geroepen om volstrekt willekeurig gekozen doelen te handhaven. Denk aan sport, zegt hij. Denk aan voetbal. Je zet twee rechthoekige stelsels van palen neer aan twee uiteinden van een veld. Je geeft een bal aan een groep mensen en je verordonneert dat degenen met de rode shirts de bal rechts tussen de palen door moeten schoppen en degenen met de blauwe shirts links. Dan tel je wie dit het vaakst kan.

Binnen de kortste keren vallen de mensen op het veld over elkaar heen en ze blijken bereid ernstige blessures op te lopen. De toeschouwers op de tribune identificeren zich met rood of met blauw, ze juichen en schelden, raken slaags, melden zich ziek op hun werk om maar die bal naar links of rechts te zien schoppen, drinken bier en voeren veldslagen met de toeschouwers die niet voor rood maar voor blauw hebben gekozen. Geen mens weet waarom. Volgens Basu zit het leven vol met dergelijke gecreëerde doelen. Uit competitiedrift proberen mensen een doel te bereiken zonder enige inhoudelijke overweging. Toen hij bij de Wereldbank werkte, maakte hij een ranglijst van landen waarmee het makkelijk was zaken te doen, en al gauw merkte hij dat het opschuiven op deze ranglijst voor veel landen een doel op zich werd. Ze wilden stijgen op de ladder, niet omwille van een grotere groei, hogere levensstandaard, minder armoede of meer banen, maar alleen om te winnen. Dat was het spel. Waarom? Gewoon, leuk. Het spelelement, de competitie, kan vreemde vormen aannemen. Zelf heb ik weleens de roddel gehoord dat vliegers van schimmige luchtvaartmaatschappijen er een sport van maakten zo weinig mogelijk kerosine mee te nemen. Niet verstandig. Als alles een sport wordt, kun je mensen achter de raarste ballen aan laten lopen. En als iedereen wil winnen en ja zegt tegen sport, is het wel goed als een kluns eens hardop nee zegt tegen sport. Ik denk dat ik het T-shirt maar koop.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.